DRIEENTWINTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN BRIEF VAN IDA.
De kakatoewa was
gestorven en de Doekon had zich niet meer vertoond.
Boessoek woonde te Samarang in een aardig huisje in den kampong, en
naaide kabaias voor de dames, om nog eenig geld te verdienen bij de
twintig gulden 's maands die ze van Lize kreeg.
Fidel volgde Jufvrouw Hanna als haar schaduwen had letterlijk stuipen
van geluk telkens wanneer hij Lize zag.
Mevrouw de Witte leefde nog, maar werd van dag tot dag zwakker en Non
bracht al haren tijd aan het ziekbed harer moeder door.
Lize had een brief van Ida ontvangen, waarin haar zuster schreef dat
zij tot dusverre een heele prettige reis gehad hadden, met een goeden
kaptein en een paar aardige passagiers, die heel galant voor haar waren.
"De een is een zee-ofcier die, na drie jaren in Indië te zijn
geweest, naar Holland terugkeert, en de andere is een gepensioneerd
majoor, beiden ongetrouwd. De zee-ofcier heet Gemunt," schreef
ze "je moet hem kennen, hij heeft op het laatste bal in de Concordia
nog met je gedanst, hij heeft Meijer ook nog gekend, en met de Rank
had hij kennis gemaakt op het bal. Hij is heel aardig en Pa houdt veel
van hem. Te St. Helena hebben we pret gehad. Dáár zijn
we twee dagen geweest om iets te repareeren aan het schip, ik weet niet
wat, en toen hebben 'We getoerd over de rotsen en
[213:]
alle plaatsen bezocht waar vroeger Napoleon geweest was. Gemunt wist ons veel te vertellen van dien tijd, en hij vertelt alles zoo natuurlijk, dat wij gehuild bebben van kassian met dien armen, grooten Keizer, die zoo klein geëindigd is, dáár midden in de zee, op zoo'n verlaten steen. Wij zijn gister avond naar boord terug gekeerd en straks gaan we weer onder zeil. Ik had niet gedacht dat een zeereis zoo prettig was; niemand van ons is zeeziek en Pa is veel beter gehumeurd dan te Soerabaia. We hebben twee keer een schip gepraaid en op één van die schepen was een hondje, dat keek over de verschansing, een dame hield het op. We dachten dadelijk aan onzen goeien, kleinen Fidel, geef hem een zoentje voor me, dat lieve beestje! En de kakatoewa ook! Pa zei nog tegen Gemunt: "Als ik niet bang voor de kou geweest was, had ik m'n kakatoe wa meegenomen, ik hield van dat diertje; hij is even oud als Ida en hij. is het eerste cadeau in m'n huishouden geweest." - We hebben nog geen kou gehad, en Pa heeft hoop dat we dit lekkere weer zullen houden; maar de Kaptein zegt "dat we nog wel twee maanden kunnen bibberen, voordat we in Holland zullen zijn. Nu het kan mij niet schelen hoe lang we onder weg blijven, maar ik geloof met Pa dat de Kaptein het maar zegt om ons te plagen. En zal je me nu heel gauw eens schrijven, beste Lize, en mij alles vertellen van je eigen en van de kennissen en vrienden, en zal je alle menschen recht hartelijk voor ons groeten? En vertel hun dat we zoo'n prachtige reis hebben en dat alle menschen aan boord heel lief zijn vooral voor mij; ze doen alles om het me aangenaam te máken, tot de matrozen toe hebben me onder hun bescherming genomen. Mijn stoel staat altijd klaar op het beste plaatsje, en dan spannen ze een zeiltje om me tegen de zon of den wind te beschutten en brengen ze me voetebankjes van matwerk of van opgerold touw gemaakt. O, heel aardig! Die matrozen zijn goeie menschen en als ik met hen mee eet lachen ze als kleine kinderen. Hun eten, ja, dat ken je niet, eens hebben ze me Jan in de zak laten proeven, dat smaakt naar niets, hun beschuit is me ook te hard, maar hun snert vind ik heerlijk, en dan hebben ze bruine boontjes met
[214:]
stukjes gebraden
vet er in dat is ook wel lekker. Och, ik wou dat je met ons mee gegaan
was! Neen, toch niet; het is beter zóó, want je bent nu
zeker heel gelukkig met je goeie, goeie man. Groet hem voor ons duizend,
duizend maal, vergeet ook Mevrouw de Witte niet, en de ]ufvrouw, en
onze lieve zachte Non! En maak je niet meer ongerust over ons, het gaat
onsgoed en we zijn gelukkig..
. . . . . . . . . . ."
Lize vouwde den brief dicht en bleef langen tijd voor zich uitstaren
zonder zich rekenschap te geven van de verschillende gewaarwordingen
die zich van haar meester maakten.
Die brief sprak van geluk, van hoop, van vertrouwen in de toekomst.
Welk een afstand lag er tusschen het kalm, tevreden bestaan van Ida
en haar koud, mismoedig leven. "Arm kind!" had zij gezegd
toen ze haar zuster op dat lompe, logge zeilschip achter liet, en wat
zou Ida nu wel zeggen als ze haar daar in die groote marmeren achtergalerij
zag zitten, in haar kostbaar morgengewaad met diamanten in de ooren,
aan de vingers, om de armen en niemand bij zich om mee te praten en
te lachen zoo als zij vroeger deed. tot groote vreugde van Fidel en
van de kakatoewa, die om het hardst meeschreeuwden van pleizier?
"Arme Lize!" zei ze zelf, terwijl ze een traan wegwischte
en den brief in haar sleutelmandje lei. "Vroeger zou ik ook zoo
geschreven hebben... nu gaat het niet meer... Wat kan, ik ook nog hopen
van de toekomst?.. Ik ben getrouwd en de man die ik zelve uitgekozen
heb zal van mijn leven maken wat hij wil..."
Zij wierp een somberen blik op de leege kruk van kakatoewa.
"Of wat ik wil!" besloot ze haar gedachte en zij hervatte
haar naaiwerk, oogenschijnlijk even kalm als van te voren.
Maar het duurde niet lang, dat eentonig op en neer halen van die draad
door het goed. De brief van Ida had haar geheel uit haar dagelijksch
leven gerukt en als het ware wakker geschudt.
Ida was twee jaar ouder dan zij en wat schreef zij jong! Wat lag er
een kloof tusschen Ida's eenvoudige matrozen- en boontjes
[215:]
verhalen en de goedhartige
omgeving welke zij beschreef en de vuile intriges waardoor Lize omringd
was. Wat was het leven van haar zuster op dat ongelukige zeilschip in
het midden van die groote zee, helder en zuiver en wat was haar bestaan
in dat mooie zonnige Indië, duister en verward! Zij gevoelde zich
als verdwaald, in de weelderige omgeving die haar met haat en dood bedreigde,
en ze smachtte naar de helderheid terug van haar eenvoudig rustig meisjesleven.
Was het mogelijk dat Ida nog geen vijf maanden geleden haar vroolijk
kamertje in de stad met haar deelde als haar tweede ik. Dat zij samen
spraken en lachten van den morgen tot den avond en in elkanders leed
zoo wel als in de vreugde deelden, alsof al wat de eene trof ook de
andere gold? Wat was Ida gelukkig geweest over haar engagement met Meijer
en wat had zij zich zijn bedrog aangetrokken, haast noch meer dan Lize
zelve! En nu?.. Hoe zou zij hare zuster meedeelen wat er van haar geworden
was? . . . Zij schaamde zich.
Er ligt een solidariteit in een huwelijk, die zoo ver gaat, dat
doorgaans de minst wetende begint met er zich door overstelpt
te gevoelen, en zonder het te willen óf te weten, te buigen en
te gehoorzamen aan de macht van een wil die schijnbaar hooger staat.
Lize had dit een oogenblik ook gevoeld, maar het oogenblik was kort
geweest, en nu zij genoodzaakt was geweest een dieperen blik in het
leven van den Notaris te slaan was zij terug gedeinsd voor de verantwoordelijkheid
die zij aangenomen had, voor de handelingen van een man, die zij noch
kon liefhebben noch achten.
Zij begon te gevoelen dat zij hooger stond dan hij, en dat zij om met
hem tred te houden, genoodzaakt zou zijn tot hem af-te-dalen, daar het
haar nooit mogelijk zou wezen hem tot haar op te heffen. Dat ontmoedigend
gevoel had haar reeds sedert vele dagen gepijnigd, nu had Ida's brief
haar op eens naar het verledene terug gevoerd en haar nog scherper doen
gevoelen hoe groot de afstand was, die haar scheidde van den man, met
wien ze voor geheel haar leven verbonden was.
[216:]
Wat kon zij doen?
Niets.
Zij was vrijwillig Mevrouw de Rank geworden, tegen den wil in van allen
die haar lief hadden, nu moest zij voort als de vrouw van den Notaris
en zijn roem zou de hare zijn, zooals zijn schande de hare zou wezen,
den naam dien ze aangenomen had zou de hare blijven en zou zijn stempel
op hare toekomst drukken, zoo niet als een zegen dan als een vloek.
Zij stikte bijna! Geheel hare ziel kwam in opstand tegen dit vonnis
en toch sprak zij het zelve uit en wist zij wel dat zij het ondergaan
moest, als het natuurlijk gevolg van haar eigen handelingen.
De tranen sprongen haar in de oogen en om ze te verbergen voor de dienstboden,
die altijd om haar heen slopen, wierp zij haar naaiwerk tafel open begaf
zij zich naar hare kamer waar ze in luid snikken losbarstte.
Meijer met zijn lachende oogen, Ida met haar goedhartigen lach, haar
vader met zijn eerlijke ruwheid, haar zachte Boessoek, haar trouwe Fidel
en die arme kakatoewa!... Allen vlogen haar door den geest, als in een
droom vol liefde, troost en trouw.
En in de werkelijkheid? De Rank alleen, omringd door eenige Javanen
van de laagste soort, allen tegen haar, misschien elk om een andere
reden, waarschijnlijk echter allen gezamenlijk en met hetzelfde doel.
Een soort van woede maakte zich van haar meester; zij wilde niet verder
gaan op den ingeslagen weg, maar ze kon niet terug! Die arme javanen
had zij kunnen grijpen en straffen met de kracht en de grootheid eigen
aan haar eerlijk hart; maar de Rank? Wat kon zij hem doen? Welke straf
had hij verdiend; hij die de oorzaak was van alles? - Hij was haar echtgenoot,
haar heer en meester, die het recht had te beschikken over hare toekomst zoowel als over de zijne, en zij? Zij kon niets zonder
hem, zij was afhankelijk van zijn wil en van zijn geld; zij kon hem
bang maken, nu ja, gelukkig was hij geen held, maar als hij niet bang zou zijn, dan stond zij machteloos tegenover hem.
Was dat rechtvaardigheid?
[217:]
O, zij kon zich
wel op hem wreeken als ze het wilde... Zij wist wel hoe!
En haar tranen weg-wisschende, wierp ze een langen blik in den spiegel,
die haar vorstelijke gestalte schitterend weergaf met het lange golvende,
goud-blonde haar. Maar dan zouden de hardste slagen weer op haar vallen!
altijd en altijd op wie ze het minst verdient. Wat is de maatschappij
toch onrechtvaardig! Zij nam den brief van Ida, herlas hem nog eens
en opende haar kast om hem in haar geldtrommeltje te sluiten. Daar viel
haar oog op de papieren welke Piet Salée haar in de hand had
gestopt als "het testamen van Tante" en met een glimlach
nam zij ze uit het trommeltje, terwijl ze bij zich zelve sprak "die
gekke zwarte Piet! laat eens zien wie hij me tot Tante wil geven"
Hoe krijg ik die papieren weer in de secretaire terug zonder dat de
Rank het bemerkt? Als hij ze mist, moet ik hem zeggen, wat er gebeurd
is. En dan wordt die arme Salée weggejaagd! Neen, dat mag niet!
Dan zeg ik hem eenvoudig dat ik ze in vergissing uit het laadje
genomen heb, met het geld, toen ik zoo gehaast was om Sem en Hamet weg
te krijgen... maar het zou beter zijn ze terug te leggen, met het geld
wat hij me gegeven heeft, dan weet hij van nièts... Ik moet het
een of ander verzinnen om nog eens z'n sleutels te krijgen... en..,
Piet! Want ik kan dat laadje niet open krijgen!" Zij lachte door
haar tranen heen en wierp zich op een schommel-stoel met het testament
van Tante. Maar zij had nahwelijks eenige regels gelezen of ze was met
haar geheele ziel in het testament verdiept en toen ze het langwijlige
stuk ten einde toe was -doorgeworsteld, stoof zij de de kamer uit met
een kleur van woede en riep ze, met een vreeselijke drift, '"Saïna!
Saïna! Laat het rijtuig inspannen! Ik moet dadelijk naar de stad!"