De Leestrommel


A-E F-I J K-O P Q-T U-Z

Mina Kruseman: Paria's (Eerste Deel)
Dordrecht: Revers, 1900

 

[9:] EERSTE HOOFDSTUK.
NETJE.

 

Ze was twaalf jaar oud, een aardige lachebek, met groote bruine oogen en twee lange zwarte vlechten op den rug. 's Morgens droeg ze een kort, wit katoenen baadje en holde ze als een wilde door den tuin, en 's avonds wandelde ze deftig met een sleepjapon langs den Bodjongschen weg en scheen ze een dame. Ze kon nauwelijks lezen en schrijven, juist genoeg om te vragen wat ze hebben wilde of te begrijpen wat de vriendinnetjes van haar verlangden. Och, ze had ook zoo weinig tijd tot leeren gehad, en dan... haar vader was rijk en zat altijd te rekenen op een kantoor in de stad, zonder ooit naar haar om te zien; haar moeder was een liplap [Kind van Europeeschen vader en inlandsche moeder.], die veel van dobbelen hield en en kooken, van manissan maken en atjar en kwee-kwee, heel lekker; maar die haar dochter - niet anders dan bagoes [mooi.] vond en zich een echtgenoot voor haar droomde die een toewan besar [groote heer.] moest wezen. Officieren noemde zij "kale jakhalzen" die het geld niet waard waren wat de meisjes voor hen storten moesten, en een tokohouder als haar man? "Ja, soedah toch! Al genoeg mijn man tokohouder: voor wat nog meer?"
Zóó groeide Netje op, à la grace de Dieu, in een weelde waarin ze zich volkomen thuis gevoelde en omringd van vriendinnen van mama die haar niet schelen konden, en van javaansche meiden, die zij als haar gelijken behandelde. Als zij lust had, ging ze naar school en reed ze in haar palankijntje naar

 

[10:]

een weduwe in de stad, die een schooltje hield, waar eenige rijke lui hun kinderen heen zonden, niet zoo zeer om te leeren, als wel om het arme mensch in de gelegenheid te stellen wat geld te verdienen. Veel werd daar niet onderwezen natuurlijk, want het goede mensch had zelve niet veel geleerd; zij was de weduwe van een scheepskapitein, die met ruw weer uit een sloepje was geslagen en op de ree verdronken was. Toen hadden de menschen (zij wist zelve niet wie) wat geld voor haar bij elkaar gebracht en hadden ze haar gezegd dat ze maar een schooltje op moest richten, dat zij haar kinderen zouden zenden en dat ze dan wel genoeg verdienen zou om onbezorgd te kunnen leven. Men gaf haar een vrije woning, waarin ze haar intrek nam, de kinderen kwamen als uit de lucht gevallen en het schooltje werd ee:n school, bezocht zelfs door de dochtertjes van de families die te Bodjong woonden. Netje was een van de sterren aan dien aristocratischen hemel; goedhartig en vroolijk, hielden de meisjes veel van haar en ook de Mevrouw behandelde haar met onderscheiding, omdat ze altijd in haar eigen kleinen palankijn kwam, en doorgaalj haar entrée maakte gevolgd door den staljongen die een mandje vruchten droeg, of een groot presenteerblad met rozen, of wel een schotel met kwee-kwee of nassie goring of ketan itam, iets heerlijks enfin, waarvan de leerlingen smulden, ook als de Mevrouw niet mee wilde eten van "al die rare kostjes, die ik niet ken." Op school zat Netje in de hoogste klasse omdat ze keurig kon borduuren en beelderige stoffen van lapisscrie kon maken, maar op de katechisatie behoorde ze tot de kleintjes, omdat de grooten binnen de drie maanden aangenomen werden en zij pas een paar lessen bijgewoond had. Die cathechisatie vond ze heel amusant!
"Ja, verbeeld je," zei ze tegen een meisje dat naast haar zat op school. Verbeeld je dat we dáár met ons tienen zitten in één kamer, net beestehok! Een nakende man, een hollander, zoo maar gespijkerd op een houtje. En dan een kast vol steenen, niets dan steen en, ja, net opgeraapt van bij de kalie, en dan papiertjes opgeplakt, ieder steen met een naam, en dan krieb-krab er op gekrast als schelp of vischgraat. Die Domine net een

 

[11:]

klein kind, ja! Voor wat steen en in een kast te doen, een mooie kast met glazen deuren. En dan een kaart tegen de muur, zoo groot als jij en ik te samen "Het heilige Land" wat is dat voor land?"
"Zeker zooals bij Damak, waar heilig vuur uit den grond komt, als je met je banden slaat op de aarde... of als de modderwellen, daar ver, waar de Setan inzit! . . . Dat is ook heilig land waar niemand op loopen kan, dat is grond die zacht is en kookt, en blazen maakt, zóó groot, en grooter, en grooter, en dan zeggen ze poef! en breken ze, en zijn ze weg."
"Heb jij dat gezien?"
"Ja, ik ben met Papa mee geweest, toen verleden, met den hongersnood."
"Kassian ja? En heb je dooie menschen gezien?"
"O, ja! overal! In één huisje zeven menschen. En langs den weg, geraamtes achter de dijkjes, en een hoofd van een vrouw half afgekloven door de jakhalzen, met de socbings nog in de ooren, Kassian!"
"Hé! hoe djiedjie!"
"En heb je daar het heilige vuur ook gezien?"
"Ja, onder een pendopo; dáár was de grond een beetje omgehaald en zaten javanen te slaan met hun handen om het vuur te roepen."
"En kwam het gauw?"
"Zeker, het komt altijd als je 't roept."
"En de Setan? Heb je de Setan ook gezien?"
"Neen, wij zijn niet 's nachts gegaan, dat begrijp je! Toen we van den pendopo wegreden was het bijna zes uur 's avonds en moest de koetsier al hard rijden om vóór donker thuis te komen. De paarden waren wild, ze sprongen en dansten, omdat ze geschrokken waren van een geraamte, met het omslaan van een hoek en dáár vlogen op eens de vlammen om hun pooten, het heilig vuur was meegegaan!"
"Hé! was je niet bang?"
"Ja, ik beefde maar ik zei niets, want ik was bang voor Pa."
"Wat zit jullie daar toch te praten?" vroeg Mevrouw.

 

[12:]

"Anna vertelt van de hongersnood, Mevrouw."
"Zoo, weet Anna daar wat van?"
"Ja, Mevrouw, ze is te Demak geweest."
"En wat deed je daar m'n kind?"
"Papa moest er wezen, Mevrouw, gezonden door den Resident om onderzoek te doen en toen heeft i mij meegenomen."
"Dat moet je geen plaisir gedaan hebben?"
"Jawel Mevrouw, heel aardig om al die dingen te zien, hier zie je nooit iets."
"Wat!" riep Netje, "En heb je dan de gevangenis niet zien verbranden?"
"Neen, toen was ik met Pa op reis."
"Heb jij dat gezien, Netje?"
"Ja, Mevrouw. Al de gevangenen vóór de tralies, roepen en schreeuwen om er uit te komen... en de meneer, die de sleutel moest bewaren, niet thuis... en de menschen gilden en schreeuwden en de vlammen sloegen het dak uit, en de gevangenen waren net gekken en altijd achter de tralies, en het vuur boven hun hoofd en geen water om te blusschen! Ja, Allah! je werd er bingoeng van - En toen ze er uit kwamen, zijn allen op een hoop blijven slaat en hebben ze zelf helpen blusschen en niemand is weggeloopen, hoe gek!"
"Hè dat moet nog akeliger geweest zijn om te zien dan mijn geraamtes, die waren tenminste dood en ze zeiden niets meer; maar al die menschen zoo te hooren gillen en schreeuwen, omdat ze niet geroosterd wilden worden, en dan achter de tralies, en vlammen boven hun hoofd, hu!... Ik zie 't voor me als je het vertelt."
"Ja, dat was erg Kassian; Maar ze zijn allen gered geworden. Daar was zoo'n heele, heele oude man bij, die lachte maar, zoo goedig! Hij was blij dat i nog leefde. En hij was al zoo oud, waarvoor, ja? Zoo'n kakkeh!"
"Wil jij geen kakkeh worden?" vroeg Mevrouw.
Al de meisjes begonnen te schateren van 't lachen.
"Dat is'n man! Dat is 'n man!" riepen ze van alle kanten."Netje moet een Nenneh worden."

 

[13:]

"Neen, ik wil niet!"
"Jawel, je moet! Wacht maar als je oud wordt!"
"Ik wil niet oud worden, tjies!"
"En dan?"
"Nu, dan soedah."
Het giegelen kon niet meer tot bedaren komen, het idee dat de Mevrouw van Netje een ouwe vent wou maken vonden de kinderen zóó koddig dat ze tranen zaten te lachen.
"Welnu, waarom lach jullie toch zoo? Omdat ik je malle maleische woorden niet versta? Waarom spreek jullie dan ook geen Hollandsch? De eerste die weer maleisch spreekt krijgt een afkeuring."
"Netje een ouwe vent!" riep er een, en daar begon het geschater weer.
Mevrouw hield zich eerst goed en lachte mee, maar de kinderen wisten van geen uitscheiden, en eindelijk werd ze boos.
"En nu wiI ik stilte hebben," riep zij opeens en geen gelach meer hooren."
De meisjes beten zich op de lippen, bogen zich maar konden zich niet inhouden, ze stikten!
"Waar zijn de leesboeken? Haal de Vaderlandsche geschiedenis."
Al de boeken werden opengeslagen.
"Waar zijn we gebleven?"
"Bij de gemalin riep Netje en daar begon het geschater weer.
"Wat is gemalin?" vroeg er een.
"Dat ben jij," fluisterde een ander.
"Niet. Ik ben kakkeh!"
En daar zat het geheele schooltje weer te stikken.
"Zal jullie nu stil wezen, riep Mevrouw anders krijg je straf; allemaal, zonder onderscheid. Allo, lezen. Netje begint."
En Netje begon, een vreemd verhaal over een graaf en zijne gemalin en burgten en kasteelen die bestormd werden met rammen.
"Ja. Allah! Voor wat toch die schapen in oorlog?" riep ze

 

[14:]

opeens, ik begrijp er niets van! Die vaderlandsche geschiedenis net gek!"
"Begrijp je dat niet?"
"Neen, niets."
"Jij ook niet, Lotje?
"Neen Mevrouw."
"En jij Sophie?"
"Ik ook niet, Mevrouw."
"Komaan, wie heeft begrepen wat Netje voorgelezen heeft?"
Geen antwoord.
"Niemand van jullie? Wat ben jullie stom!"
"Dat schaap. . ." waagde Netje.
"Een ram" verbeterde Mevrouw, maar aangezien zij zelf niet veel begreep van het bestormen van een versterkte plaats met een ram, riep ze boos: "In die ouwe tijden gebruikten ze de rammen zoo als ze nu de paarden gebruiken. Nu weet jullui het, onthoudt het nu, en lees door."
En Netje vervolgde haar lectuur.
Zooals het haar op school ging, zóó ging het haar op de cathechisatie ook. Dáár hoorde ze een verhaal van menschen die na hun dood in het vuur werden gegooid, alweer in rammen en in schapen werden veranderd en dan eeuwig voort moesten leven de schapen gelukkig en de rammen altijd brandend.
"Net kakkerlak in de nachtlamp," fluisterde ze haar buurvrouwtje in het oor.
"Stink," antwoordde deze, en de les ging voort.
Na de derde les was Netje verdwenen.
De vriendinnetjes hielden haar staande op straat en vroegen waarom zij niet meer op de cathechisatie kwam.
"Ja wel op cathechisatie, maar groote klasse."
"Jij?"
"Jij in de groote klasse?"
"In de klasse met bruiden?"
"Ik ben al zes maanden in de kleine."
"Ik een jaar."
"Ik ook."

 

[15:]

"Niet eerlijk, ja!"
Netje werd er binggeng onder. "Och, ik zal je maar zeggen, ja? Mama wil niet dat ik het overbrief, maar soedah! Ik moet trouwen."
"Met wie?"
"Met Adsistent-Resident Hak, van A."
"Pantes!" riep er een.
"Rijk?" vroeg een ander.
"Mooi?"
"Niet. Oud en leelijk." antwoordde Netje.
"En dan, waarvoor?"
"Mama wil."
"Kassian!" antwoordde een ander kameraadje en ze gaf Net een zoen, om haar te toonen dat zij haar toestand begreep en medelijden met haar had.
"Ik wil niet" vervolgde Netje, met groote tranen in haar schitterende oogen. "Hij sobat van Mama, kakkeh! Ik wil niet."
"Maar je moet."
"Ik weet wel, Soedah!" Zij schudde met het hoofd en zei niets meer.
Toen zij tegen twaalf uur thuis kwam vond zij den Adsistent-Resident bij haar moeder. Hij was voor eenige dagen overgekomen en sprak maleisch met Mama, die zoo manis was als madou [Zoo zoet als honig].
"Daar is ons aanstaand bruidje!" riep hij opspringend en, eer Netje begrepen had wat er gebeurde, had hij haar in z'n groote, grove armen gesloten en gekust. op beide wangen.
"Tjies!" riep ze, wegloopende, en met haar twee handjes wreef ze zich de wangen schoon.
Papa was op zijn kantoor, zooals altijd en het was dus met hun drietjes dat ze gipgen rijsttafelen.
De Adsistent-Resident was uitgelaten vroolijk, Mama was zoo trotsch als een pauw, Netje zeide niets. De acht slavenjongens, in hun lange roode badjoes toro, vlogen als schimmen om

 

[16:]

de tafel en de heerlijkste indiesche kostjes volgden elkander bij dozijnen op, tot groote satisfaktie van Hak, die niet ophield elk gerecht te roemen. "Dat is weer zoo'n schoteltje als men bij niemand anders vindt dan bij u, Mevrouw!"
"Ja? Ik trotsch op mijn kookkunst."
"Jij gladakker!" mompelde Netje, terwijl Mevrouw een jongen wenkte om nog eens met de zelfde sambal-goreng terug te komen.
"Maar mijn Poppetje eet in het geheel niet! Hoe komt dat zoó kleine Nuf?"
"Soedah toch," antwoordde Netje, en ze keerde haar gezichtje van hem af met een uitdrukking die haar oud maakte.
"Ze is nog niet met me verzoend, naar het schijnt," vervolgde de Adsistent-Resident, "wat moet ik eigenlijk doen om vriendschap te sluiten?"
"Niets. Ik wil niet trouwen met jou."
"Niet? Dat zullen we wel eens zien!" En hij lachte weer z'n harden lach en sprak verder met Mama alsof er geen Netje bestond.
Toen het eten afgeloopen was en de Adsistent-Resident naar zijn hotel terug was gereden, stonden moeder en dochter alleen tegenover elkander en wisselden ze een biik die zoo somber was, zoo vast beraden, zoo koppig, dat beiden tegelijkertijd de oogen neersloegen.
"Hier!" riep de moeder en zij begaf zich naar haar kamer, langzaam en statig, gewikkeld in de dure gebatikte sarong, die over de fluweelen met gouddraart geborduurde slofjes golfde: en den zakdoek in de hand, waaraan de gouden sleutelring hing met de mooie glimmende sleutels. Netje volgde.
"Dicht de deur," gebood Mama.
Netje gehoorzaamde.
"Ja Allah," begon toen Mevrouw van Loon, "jij durft neen zeggen als ik ja zeg! Jij vergeet dat ik jou moeder ben! Jijbent niets! Een kind, anders niet; mijn kind, mijn eigendom, waarmee ik doen mag wat ik wil. Dood slaan, als ik wil; ja dood! heelemaal dood! En niemand kan dat verbieden, want jij bent mijn

 

[17:]

kind! En wat kan jij doen als ik wil? Ik wil Adsistent-Resident voor schoonzoon en jij trouwt. Nog één maand, dan bruiloftpartij; daarmee uit. Vertrek!"
"Die Hak gladakker! Ik wil niet."
"Jij moet."
"Neen."
"Weg!"
En Netje verdween.
Mevrouw van Loon volgde haar met de oogen, sloeg de deur dicht en ging haar middag-dutje doen.

 

Inhoudsopgave | Vorig hoofdstuk | Volgend hoofdstuk

     
Damescompartiment Online
naar de Leestrommel