VEERTIENDE
HOOFDSTUK.
DE EQUIPAGE.
Den volgenden middag
hield er voor de woning van Kaptein den Toom een prachtig rijtuig stil,
bespannen met twee, kostbare sijdneijers; de Notaris stapte er uit, tiré à quatre epingles en kwam zijn bruid afhalen,
om haar voor-te-stellen aan zijn Simpangsche vrienden. Lize was nog
niet klaar, en het waren de Kaptein en Ida die de mooie equipage het
eerst zagen en er hem hun compliment over maakten.
"Dat is zeker de gala-wagen van den Gouverneur Generaal, die je
geleend hebt voor deze extra gelegenheid!" riep de Kaptein. En
Ida vond dat de parelgrijze kussens juist mooi genoeg waren voor het
beelderige toiletje van haar zuster, waaraan haar
[147:]
lijfmeid nog bezig
was de laatste hand te leggen, ofschoon zij het reeds aan had.
"Je zult het zien!" riep Ida vroolijk. "Lize is zóó
mooi dat ze onmogelijk in een huurwagen had kunnen uitgaan!"
De Notaris lachte tevreden, maar zei niet van wie de mooie équipage
was.
"Laat ons raden! riep Ida. "Kennen wij den eigenaar?"
"O, ja, zeer goed!"
"Een van je Simpangsche vrienden?"
"Mis."
"Een chinees?"
"Foei!"
"Iemand op een andere plaats?"
"Ook niet."
"De een of andere suiker-boer uit den omtrek?" vroeg de Kaptein.
"Neen, nog niet geraden."
"Maar het rijtuig is pik splinter nieuw!"
"Het heeft toch een eigenaar?"
"Die eigenaar ben jij."
"Dan zou Lize er niet in willen!"
De deur van Lize's kamer ging open en daar verscheen het bruidje.
Ida had gelijk, zóó iets frisch en helders, zou geheel
misplaatst geweest zijn in zoo'n vuilen, ratelenden huurwagen.
De Notaris bloosde van bewondering toen hij haar tegemoet ging en haar
met een kenners-oog beschouwdé.
"Raden Lize!" riepen de Kaptein en Ida als uit eenen mond.
"Van wie kan dié prachtige equipage wezen?"
"Van mij!" antwoordde Lize, zonder aarzelen en zij zag lachend
haar bruigom aan, met een uitdrukking in de oogen die duidelijk vroeg:
"Is het niet zóó?"
"Jij hebt het geraden!" antwoordde de Rank met een schaterlach.
"En nu een zoen, een flinke zoen voor de moeite!"
"Niet onstuimig hoor!" bedong het bruidje, terwijl zij haar
armen uitstrekte om hem op een afstand te houden." Maar de
[148:]
Notaris vergat
de voorwaarden en kreukelde het mooie toiletje reeds eer het nog op
de parelgrijze kussens rustte.
Drie visites werden er dien middag gemaakt en de bruid van den Notaris
werd een révélatie voor den Simpangschen beau-monde,
die nooit verondersteld had dat er in de stad zulke aardige nufjes konden
bestaan.
Lize had ook groote sympathie voor de vrienden van haar bruigom en gevoelde
zich geheel thuis in de ruime, met planten versierde galerijen, waar
de sleep van haar wit-zijden kleed in volle lengte over de marmeren
steenen kon glijden, zonder vuil te worden of te blijven haken aan onaangename
meubels, even als in de bekrompen woningen in de stad het geval was.
"Zij zijn heel aardig, je vrienden" zei ze tegen de Rank,
terwijl zij naar huis terug reden. "Als ze allemaal zoo zijn, kan
ik je zeggen dat je Simpangsche kliek me best bevalt."
"Niet waar? En nu heb je m'n beste vrienden nog niet gezien, die
zijn naar Prigien gevlucht om de cholera te ontloopen, die zal je dus
over eenige dagen leeren kennen op ons huwelijks-reisje, dat zal..."
"Zoo, zijn die nog liever?"
"Ja. Je Pa heeft ongelijk, altijd zoo op de Simpangers te schimpen,
zij hebben meer geld dan de statslui, maar daarom zijn ze niet slechter."
"Och, Pa schimpt niet op hen, Pa zegt maar dat zij niet beter zijn
dan wij, en dáár heeft hij mogelijk gelijk in."
"Ja, dáár heeft hij zeker gelijk in!" antwoordde
de Notaris galant. "Misschien zullen zij beter worden als mijn
mooie Lize tot hun partij is overgeloopen!"
Lize lachte en de Rank was over gelukkig. Zóó vlogen de
bruidsdagen snel en vroolijk voorbij en eenige dagen vóór
het vertrek van haar Vader en haar zuster vertrok Lize den Toom, als
Mevrouw de Rank, naar Prigien, om eén huwelijksreisje te maken,
dat slechts van korten duur zou zijn, daar de jong-getrouwden te Soerabaia
terug wilden zijn. om den ouden Heer en Ida naar boord te brengen.