De Leestrommel


A-E F-I J K-O P Q-T U-Z

Mina Kruseman: Paria's (Eerste Deel)
Dordrecht: Revers, 1900

 

VIERDE HOOFDSTUK.
MEVROUW DE WITTE.

 

Jufvrouw Hanna kwam dien avond wat later bij Mevrouw de Witte dan zij beloofd had. Non stond op stoep op haar te wachten en kwam haar reeds van verre te gemoet met de woorden:
"Mama is niet wel, Jufvrouw, zeg haar niet dat ik plan heb gehad om uit te gaan, ik heb Lize laten weten dat ik niet mee kon... de kleine is ook wat koortsig... Komt u binnen, Mama zal blij zijn u te zien, ze heeft al twee keer naar u gevraag, ze is toch zoo erg, erg; zwak!"
Mevrouw de Witte, een lange magere vrouw, met zwart haar en donkere oogen, lag in de achtergalerij op een ratangstoel, omringd van kussens en strekte de beide handen naar de Jufvrouw uit, zoodra zij haar zag naderen.

 

[77:]

 

"Ik kan niet opstaan, vergeving," sprak ze zacht. "Non, een stoel... Dank u Jufvrouw, u is goed om hier te komen... u heeft het thuis zoo druk..."
"O Mama! riep Non, de Jufvrouw heeft zoo'n raar, oud mensch gekregen! Een echte totok! Wat was ze boos op me! Ik had haar toch niets gedaan, niet waar Jufvrouw?"
"Neen kind, je had haar niets gedaan, maar ze was zenuwachtig, omdat ze in de courant gelezen had, dat de cholera aan het verminderen was, en iemand haar bij het uitgaan van de kerk verteld had dat dit bericht geplaatst was op hooger last om de europeanen niet ongerust te maken, maar dat de waarheid was dat er dagelijks meer dan 500 sterfgevallen plaats hadden, die niet bekend werden gemaak."
"Kassian!" riep Mevrouw de Witte "ze moesten zoo iets ook niet zèggen tegen zoo'n oud mensch dat pas hier is, ze kon de cholera wel eens krijgen van angst."
"Ja, dat zal ze ook wel," antwoordde de Jufvrouw "ze is van middag om half drie met den trein vertrokken om de ziekte te ontloopen, maar ze was zoo opgewonden en zenuwachtig dat het me niets verwonderen zou wanneer ze Prigien nooit bereikte."
"Net als dien heer die de cholera gekregen heeft in den trein waarmee hij vluchtte!"
"Jufvrouw Bitsa is ook naar boven."
"Jufvrouw Bitsa! Dat is maar goed ook! O Jufvrouw, u had het moeten hooren, hoe de kinderen op school haar voor den gek hielden! Bij ieder lijk wat ze zag voorbij dragen werd ze bleek van schrik en viel ze op een stoel, en dan moesten de meesters haar een slokje brandewijn geven; de flesch stond altijd achter de deur. De kinderen hadden zoo'n schik in die vertooningen dat er telkens een was die riep: "Een cholera-lijder Jufvrouw!" "En hij leeft nog!" En dan antwoordde een ander kind "Neen, hij is dood, hij wordt begraven!" En de kleine Willem Riel is gister zelfs zoo ondeugend geweest, dat ze hem naar huis heeft gezonden op het heetst van den dag."
"Wat had hij gedaan?"

 

[78:]

 

"Wél, hij had een draagbaar zien naderen en van verre gezien dat er veel houtjes achter gedragen werden om op de graven te plaatsen dus begreep hij dat er meerdere lijken bij elkaar moesten zijn. Zonder een woord te zeggen was hij opgestaan en de deur uitgeloopen en toen de optocht vlak voor het venster van Jufvrouw Bitsa was, gooide hij op eens de jaloezieën open en begon hij den doodzang te zingen. De schooljufvrouw sprong op, wierp de glazen ramen dicht en gilde tegen de meesters; "Daar zingen ze weer! De policie heeft immers verboden te zingen bij de dooden nu er zooveel menschen sterven!" "Ik zing!" riep kleine Willem door een ander venster. "Kijk jufvrouw, vier lijken bij elkaar, tel de voeten maar!" en de deksel van den lijkbaar optillende, wees hij op de voeten van de dooden die uit de matjes staken. De Jufvrouw gaf een vreeselijke gil en viel flauw. Al de meesters om haar heen en de groote meisjes uit de andere klasse met water en eau de Cologne, en al wat ze maar vinden konden, om haar bij te brengen. En kleine Willem stond vóór haar, met zijn handen op zijn rug te lachen. Daar werd ze wakker en zoodra ze hem zag, werd ze zoo boos, dat ze hem bij z'n mouw gepakt heeft en geslingerd en geschud de geheele klasse door tot op straat toe, en toen heeft ze hem uitgescholden en naar huis gejaagd en de deur achter hem dicht gesloten. Maria Lenior die het me vertetd heeft en die in de klasse van de groote meisjes zat, heeft dadelijk aan haar meester gezegd dat ze ziek was en gevraagd of ze naar huis mocht gaan. De meester heeft zeker wel begrepen waarom ie weg wilde, want hij heeft haar lachend op den schouder getikt en geantwoord: "Goed kind, ga maar en zorg verder voor dat kleine kereltje." Zoo heeft Maria hem thuis gebracht en gezegd dat hij op school hoofdpijn had gekregen en daarom naar huis was gezonden, anders zou zijn vader hem geslagen hebben. "En nu is de Jufvrouw naar het gebergte gevlucht? O, dat is heerlijk! nu kan zij hem ten minste niet meer aanklagen en komt hij vrij van straf!"
"Non!" riep Mevrouw afbrekende, "laat het kind

 

[79:]

 

stroop uit de kast; je weet wel op de derde plank, achter de atjar staat de flesch."
"Ja, Ma."
Non ging heen.
"Het is om even met u alleen te zijn dat ik haar weggezonden heb" sprak de moeder. "Ik wilde u iets vragen, en nu we alleen zijn durf ik niet."
"Gauw dan, anders komt ze terug."
"Ik voel me zoo zwak... ik geloof niet dat ik beter zal worden… Kassian mijn arme kinderen..."
"Toen ge verleden jaar ziek waart, hebt ge mij Non beloofd."
"Dàt is het wat. ik vragen wilde, riep de arme moeder, Jufvrouw Hanna bij de hand grijpende, en met tranen in de oogen vervolgde ze: "Non is zoo'n goed kind, maar ze is nu op een leeftijd dat ze iemand hebben moet, in wie ze vertrouwen stelt, om haar te raden en te steunen."
"En de heer Rijnsma is immers voogd over de kleintjes? Die zal hen ook niet in den steek laten."
"Naar het weeshuis zenden misschien."
"Nooit. Geen van uw kinderen zal ooit naar een weeshuis gezonden worden, dit beloof ik u, en mocht meneer Rijnsma komen te sterven, welnu dan neem ik ook de kleintjes tot me."
"Meneer Rijnsma is goed, niet waar?"
"Door en door goed en edelmoedig."
"Maar hij is arm?"
"Zoo als ik arm ben. Hij leeft eenvoudig en houdt van werken maar indien hij het wilde, kon hij feesten geven en niets doen."
"De menschen spreken zoo vreemd over hem."
"Dat doen ze over iedereen die uitmunt."
"Maar ze zeggen dat hij geen hart heeft."
Voor hen? dit is waarschijnlijk, ik heb voor die menschen geen hart, maar ik heb wel hart voor uwe arme kinderen en dat heeft mene:er Rijnsma ook, dit heeft hij immers meer dan eens getoond?"
"U heeft gelijk; Jufvrouw, ik moest niet twijfelen aan den

 

[80:]

 

man die jarenlang de vriend van de Witte is geweest, maar de menschen zeggen dat hij zóó veranderd is, dat zijn beste vrienden hem niet meer kennen en nu ik ziek ben en ik mijn arme kinderen misschien aan hem..."
"Kom, stel u toch gerust, Mevrouwtje lief, en denk niet meer aan sterven. Zwakte is geen ziekte, en met een beetje krachtig voedsel en goeden moed is men heel gauw weer even sterk als vroeger."
"Ik heb een groote mand met wijn gekregen, maar ik weet niet van wie..."
"Wat doet dat er ook toe!"
"En 24 kruikjes bruin bier."
"Goed zoo!
"En gisteren heeft een chinees hier drie blikken rookvleesch gebracht en gezegd dat ze betaald waren."
"Zóó mag ik het hooren! En met zooveel vrienden die u in het leven willen houden, zoudt ge nog durven denken aan sterven. Maar Mevrouwtje lief, dat mag niet! En waar is het kleintje? Dat heb ik nog niet eens gezien van daag!
"Non! Waar is het kleintje?"
"Hier!" riep Non uit de kamer "ik zal het brengen." En een oogenblik later kwam zij met de flesch stroop aangeloopen die ze op tafel zette en het kleintje dat ze de Jufvrouw in de armen gaf.
"Het is toch zoo'n goed kindje Jufvrouw! Het huilt bijna nooit en het kijkt zoo verstandig in de rondte met die groote heldere oogjes!"
De moeder wendde het hoofd af en bleef zwijgen.
"Ja het is een lief kindje!" antwoordde de Jufvrouw "maar het moet goed voedsel hebben,' anders wordt het nooit zoo groot als jij, Non."
"Niet waar, Jufvrouw? Ja, zegt U eens aan Mama dat ze goed moet eten voor dat kleine menschje, anders sterft het nog van gebrek, dat lieve, lieve diertje!"
Zij greep het de Jufvrouw uit de armen, kustte het zenuwachtig en liep er mee naar buiten.

 

[81:]

 

De moeder verborg haar gelaat in de kussens en weende bitter.
"Kom, Mevrouwtje, moed gehouden, Non heeft gelijk,
Kassian dat arme kindje! Kom laat ik u een glaasje bruin bier inschenken, dat zal U goed doen,Non!"
"Ja, Jufvrouw!"
"Waar heeft Mama de kruikjes bruin bier gezet? Geef er eentje hier, met dat gebraden duifje, wat ik vóór op tafel heb gezet. - Zóó, nu gaan we smullen en na ons krijgt dat kleine menschje ook zijn beurt."
Het kind bracht een kan met ijswater, en terwijl de Jufvrouw het duifje sneed en Mevronw de Witte het bier proefde, schonk Non de stroop in en lag het kleintje gerust te slapen op een kussentje op den grond.
Non vertelde verhalen van haar kennisjes, de Jufvrouw sprak over kooken en naaien en toen het half acht sloeg en Jufvrouw Hanna naar huis terug moest om voor het avondeten te zorgen, was het halve duifje verdwenen met een groot glas bier en sprak Mevrouw de Witte weer over genezen en uitgaan en leven voor haar goede kinderen, die ze nooit verlaten wilde.

 

Inhoudsopgave | Vorig hoofdstuk | Volgend hoofdstuk

     
Damescompartiment Online
naar de Leestrommel