896 Tjao (Vanille)
Vanille-stroop, geweekte selassiepitjes en geweekte agar-agar, gekookt
met suiker en water.
De agar-agar opkoken, laten stollen, in kleine stukjes hakken (tjintjang) en met wat selassiepitjes (agar-agar 2 lepels, pitjes 2 lepels) in een glas doen en daarbij een wijnglaasje vanille-stroop doen, met water aanlengen en dezen verfrisschenden drank met een lepeltje omroeren.
897 Tjao blanda
Frambozenstroop, bessensap, suiker, fijngehakte agar-agar gekookt met
suiker en vanille, selassiepitjes.
1 Deel frambozenatroop met 2 deelen bessensap in de noodige suiker smelten,
daarna koud laten worden.
Hiervan elk glas vullen met de noodige agar-agar en pitjes daarbij.
898 Tjieng tjao (namaak)
Agar-agar, afgekookt pandan- of spinaziewater, dan wel gifvrije groene
aniline, rietsuikerstroop (goela tètès).
De hoeveelheid agar-agar neemt men naar verkiezing en kookt men op
met water en het aftreksel van pandan-bladeren, ten einde er een groene
kleur aan te geven.
Daarna zeeft men de agar-agar en laat ze in een vorm koud worden.
Wanneer men dit gebruiken wil, neemt men een stuk van de agar-agar,
hakt dit zeer fijn, doet er een hoeveelheid rietsuikerstroop naar eigen
smaak bij en roert dit goed met gewoon water aan, zooals men stroop
klaar maakt. Men kan er ook een stuk ijs bij doen. Gewoonlijk vult men
het glas half vol agar-agar, daarop een weinig stroop en verder water,
waarna men den drank goed omroert.
899 Tjieng tjao (echt Chineesch recept)
Tjieng-tjao-bladeren, suiker-stroop of goela-tètès, bidji
selassi.
Men wringt een hoeveelheid tjieng-tjao-bladeren met water door elkander en laat ze er een nacht in staan. Den volgenden dag wordt dit verder uitgewrongen en, door een fijne zeef, opgevangen. Laat dit nu staan tot het een dikke massa worde, zoo, dat men het kan snijden. Deze tjieng-tjao drinkt men óók met suiker-stroop. Men kan er ook geweekte selassi-pitjes bijvoegen.
900 Koliak (zie recept No. 824)
Bestaat uit een of andere vaste grondstof b.v. tales, obi mêrah
of obi poetih, ketella, laboe (walóh) of zelfs aardappelen, ook
pisang.
De stroop, waar het op aankomt, bestaat uit goela-djawa met dikke santen
gekookt tot stroop.
In deze stroop wordt een der bovengenoemde grondstoffen, na in stukjes
te zijn gesneden, gekookt, tot ze gaar zijn.
Zoo heeft men:
901 Koliak laboe
902 Koliak obi
903 Koliak pisang
904 Koliak ramboetan
905 Koliak tales
906 Biton (Nangka-pitten)
De pitten worden goed gewasschen en daarna op 't vuur geroosterd, tot
ze bruin en gaar zijn (gepoft). Daarna pelt men ze en peuzelt de geroosterde
pitten op.