VIII.
Philip deed alles
wat hij kon om zijn mama en haar gasten te voldoen, en 't ging hem zoo
goed en los af, dat het wel scheen of hij alles slechts voor zijn eigen
pleizier deed.
Hij redeneerde met den makelaar over den prijs van effecten, van koffie,
thee en suiker; hij koos voor diens vrouw de lekkerste stukjes kip uit
en vertelde van delftsche of haagsche restaurantschotels. Hij speelde
[77:]
philippines met
de meisjes of gaf haar raadsels op; hij luisterde geduldig naar de lange
verhalen van de onderwijzeres over haar kwalen en vertelde van wonderlijke
ziektegevallen, waaraan vrienden van hem geleden hadden; hij gaf de
suffe mevrouw den arm om haar naar haar lievelingspriëeltje te
geleiden; in één woord hij was gezellig, zóó
aardig, dat allen om strijd mevrouw Van Asten verzekerden dat zij toch
een allerliefsten zoon had.
Met vochtige oogen nam zij dit compliment aan en voegde er alleen zuchtend
bij:
"Dat is zoo, maar 't is alleen zoo jammer, zoo jammer dat.., dat
"
"O, dat hij die geschiedenis heeft gehad. Maar daar is hij nu overheen,
en hij is er niets minder om."
Mevrouw Van Asten zeide niet, dat zij het middel, hetwelk hem genezing
had gebracht, misschien erger vond dan de kwaal zelf. Philip sprak nooit
meer over de Charières, maar hij ontmoette Hortense dagelijks,
en zijn moeder vermoedde het, of liever zij las het duidelijk in zijn
fonkelende oogen, in zijn opgewekten gang en levendige gebaren.
Dan keek zij Eveline aan, en Eveline, die wel een allerliefst duifje,
maar geen duifje zonder gal bleek te zijn, draaide het hoofd om in de
richting van het gehate huis; en beiden begrepen elkander zonder een
woord te spreken.
"Wil u wel gelooven, mama," zeide zij eens tot haar moeder,
"dat Philip met alle gemak Nellie of Anna kon krijgen? De oude
lui zijn zoo met hem ingenomen, en de meisjes zijn allebei doodelijk
van hem. En 't zijn toch lieve schepsels, erg eenvoudig en heel gefortuneerd."
"Ach, kind! Wat zal 't helpen! Hij heeft zich al
[78:]
verslingerd aan
die meid, zoo'n indisch kind, wier moeder niet eens bekend schijnt."
"U moest hem eens polsen, ma, dan weten we meteen, hoe ver hij
met haar is."
"Och, ze zullen het wel eens zijn!"
"Dat kan u begrijpen! Waarop wil hij trouwen? Hij heeft niets en
is niets, en als hij eens Anna of Nellie trouwde, dan zou papa voor
hem een fabriek kunnen koopen en hem er in zetten..."
"'t Liefst had ik dat wij nu ook eens iets aan hem kregen. Altijd
hebben wij voor hem gespaard en gewerkt, en nu wordt het toch wel eens
tijd dat hij 't voor ons doet, maar jawel, nu gaat er een vreemde vrouw
mee strijken. Dat is zoo 's werelds loop, kind!"
"Een treurige loop, hoor! Vooral als het die Hortense moet zijn,
dat nare spook!"
Dien avond regende het, en Philip ging niet uit.
Hij had een brief gekregen en dien met belangstelling eenige malen overgelezen.
"Mama!" vroeg hij, toen hij met de beide dames alleen was,
"zou u er veel tegen hebben als ik naar Indië ging?"
"Naar Indië!" en tegelijk stortte het heerlijk luchtkasteel,
door beide dames gebouwd, jammerlijk in elkaar. Een net huisje in de
buurt van een fabriek, waarvan Philip technisch directeur was, geen
logés meer te bedienen, geen nukken en vitterijen meer te verdragen
van vreemde menschen, opstaan als men verkoos, naar bed gaan als men
slaap had, niet meer uitrekenen, niet meer passen, niet meer méten,
eindelijk eens voor zichzelf te leven, vrij te zijn, vrij met Philip
als kostwinner!
"Ik heb er nooit over gedacht, vent! Natuurlijk als het moest -
maar - maar 't is zoo ver."
[79:]
"Tegenwoordig
is 't maar een wipje! U begrijpt, dat na hetgeen er gebeurd is, Holland
voor mij niet veel aantrekkelijks meer heeft. 't Aantrekkelijke is in
deze kamer vereenigd."
"Zoo!" merkte Eveline snijdend op.
"'t Zou mij natuurlijk ook hard vallen u te verlaten, maar de vooruitzichten
zijn zoo mooi. Daar, lees u dezen brief maar! Hij is van mijn vriend
Ruiters; zijn oom heeft een groote suikerfabriek in den Oosthoek van
Java, en nu presenteert hij mij daar een betrekking. De voorwaarden
zijn magnifiek. Ik kom daar in een heel andere omgeving en zal genoeg
overhouden om u en Eveline eindelijk terug te geven wat u voor mij gedaan
heeft."
"Dat hoeft niet, Philip, volstrekt niet. Daarop hebben wij nooit
gerekend. We deden het uit liefde en liefde kan alleen met liefde worden
terugbetaald; bovendien, als je trouwt, dan kan je het toch niet meer
doen."
Philip werd plotseling vuurrood, en Eveline die hem aandachtig bestudeerde,
ontging het niet.
"O," zeide hij een weinig verward, "dat zal geen verschil
maken. U blijft nummer één."
"Dat zeggen ze allen, maar de schoondochter beslist toch in hoogste
instantie," zuchtte mevrouw.
"'t Is te hopen, dat Philip er niet zoo gauw toe overgaat, een
vrouw te nemen, want 't is in elk geval een groote waag voor hem,"
en Eveline's stem klonk ongewoon hard en scherp.
Haar broer werd plotseling doodsbleek; zijn gelaat vertrok zich pijnlijk,
terwijl hij antwoordde:
"Je hebt gelijk, Eveline, daar mag ik wel ernstig aan denken."
Hij stond op en ging de kamer uit.
"Kind, ben je niet te wreed geweest?" vroeg mevrouw, hem ongerust
naziende.
[80:]
"'t Doet er
niet toe, als hij daardoor van zijn dwaze passie geneest. Zoo'n oppervlakkige
ijdeltuit zal immers niet met hem om kunnen gaan. O, mama, verbeeld
u dat wij met hem mee konden gaan naar Indië!"
Indië, het Dorado, nog terend op zijn oude reputatie, te recht
of ten onrechte van alle ongetrouwde, trouwlustige meisjes!
"Zou u er niet tegen opzien, moes? Ik niets!"
"Och, Eef, verheug je met geen dooien vogel. Hij zal 't ons niet
vragen."
Philip bracht een ellendigen nacht door; reeds vroeg was hij op en gekleed
en sloeg den weg in naar het bosch achter het kasteel.
Dat was zoo'n heerlijk bosch, nu vooral in den vroegen morgen na den
regen van gisteren; de harsachtige geuren hingen nog tusschen de boomen,
de bladeren hadden een vochtigen glans in plaats van het stof van gisteren
en schenen na de duisternis het zonlicht met dubbel genot te drinken.
Midden in het bosch stond bij een vijver een reusachtige eik met een
ronde houten bank om zijn dikken stam; daar wierp Philip zich neer.
Hij had van nacht wanhopig zijn kussen nat geschreid, ... nu brandde
zijn hoofd en het licht deed zijn oogen pijn, zijn zenuwen hingen als
flarden aan elkander, zoo waren zij uitgeput.
Suf zag hij voor zich uit naar den zilveren vijver met zijn gouden weerglansen
in de grillige lijst van zwartgroene dennen; eenige zwanen gleden er
in statige rust, een eilandje stak, bont van allerlei bloemen, als een
reusachtige ruiker uit het water omhoog, en boven alles de vroolijke,
diep blauwe hemel, juichend omdat geen wolken voor zijn aanschijn dreven,
omdat geen stroom en van regen hem meer
[81:]
het gezicht van
die mooie, frissche aarde verborgen.
Philip tuurde er naar, maar hij zag niets; bij was blind en doof van
verdriet; doodmoede, innerlijk gebroken door de uitbarsting van zijn
leed, en toch niets daardoor verlicht.
De reactie was gekomen. In de laatste veertien dagen had hij als in
een tooverwereld verkeerd; de geheele aarde, die zoo dof en mat voor
hem lag, zijn leven dat hem zoo angstwekkend toegrijnsde, alles was
veranderd. Hij voelde zich weer jong, weer levenslustig, weer vatbaar
voor allerlei indrukken, de herinnering aan de gevangenis had hij van
zich af kunnen schudden, alsof het een lastige nachtmerrie was, die
hem gedurende eenige uren had vervolgd.
Hij hoopte weer, hij geloofde aan zichzelf, bij had moed om aan alle
hersenschimmen van binnen en buiten weerstand te bieden.
Wie die verandering had veroorzaakt, behoefde hij niet te vragen; hij
was bedwelmd door Hortense's schoonbeid niet alleen, maar de kracht,
die uit haar geheele persoonlijkheid straalde, die zich aan hem mededeelde,
maakte hem sterk en moedig; ja, hij had zich illusies gemaakt waarin
zij de hoofdrol speelde.
Toen dat voorstel uit Indië kwam, was zijn eerste gedachte:
"Hoe heerlijk, dat Indië haar vaderland is en zij er zoo mede
dweept."
Hij had, toen zijn moeder zinspeelde op een mogelijk huwelijk van hem,
bijna alles bekend, maar dat wreede woord van Eveline sloeg hem met
bloedige striem in het gezicht. Hij was haastig heengegaan, want hij
voelde het weer in hem bruisen, neen, het vuur was niet uitgebluscht,
het gloeide en brandde in zijn aderen, 't had weinig gescheeld, of hij
had zich
[82:]
op zijn zusje,
zijn lief, eenig zusje geworpen, die toch eigenlijk gelijk had, groot
gelijk. Nu voelde hij het immers weer, maar met geweld had hij den aanval
weerstaan; 't had moeite gekost, op zijn knieën had hij in zijn
kamer gelegen, het hoofd op de zitting der canapé gedrukt, werktuiglijk
biddend om de kracht, het geweld van den hartstocht te breken. Uren
had hij zoo gelegen, sidderend en bevend, de slapen en polsen hamerend
met onbedwingbare kracht.
"O God, help mij! help mij! Ik word krankzinnig! Dat niet - laat
mij sterven, maar niet dat..."
En terwijl hij daar alleen streed, sliepen mevrouw en Eveline rustig
en vermoedden niets van den storm, door haar ontketend.
Eindelijk was hij den aanval meester geworden en loste de kamp zich
op in een door niets te bedwingen vloed van tranen.
In een oogenblik van betrekkelijke kalmte had hij zich uitgekleed, was
naar bed gegaan en had eenige oogenblikken gesluimerd, maar altijd met
dat gevoel van troostelooze wanhoop in het hart.
En nu zat hij daar weer en zag al zijn schoone droombeelden vernietigd,
zijn jonge hoop vervlogen, zijn liefde verbrijzeld, stuiptrekkend ter
aarde.