IV.
"Goddank!! Er komt een eind aan!"
Deze woorden verliet Hortense Charière, negentien jaar oud geworden,
de kostschool.
Zij was er als kind gaarne geweest, maar nu begon het haar te lang te
duren; alle meisjes van haar leeftijd waren reeds sedert lang vertrokken;
een geheel geslacht was om haar heen opgegroeid, zij was de oudste en
grootste van allen.
"De patriarch", zoo noemde zij zichzelf en de anderen met
haar.
Haar lievelingsonderwvijzeressen waren ook weg, zij kon niets meer leren
en was meer secondante dan leerling.
[32:]
Haar hoofd was
vol van het leven, het echte, rijke leven, dat zich buiten die schoolmuren
uitspreidde in vollen gloed en pracht. Het leven, de wereld, dat beteekende
voor haar hetzelfde, iets heerlijks, iets plechtigs, iets, dat zij recht
had binnen te gaan en waar men haar wederrechtelijk buitensloot. Zij
smachtte er naar dit leven te beginnen; nu was het juist de geschiktste
tijd er van te proeven, het te genieten; eIken dag, dien zij hier opgesloten
doorbracht, beschouwde zij als een diefstal aan haar jeugd gepleegd.
O zij was zoo nieuwsgierig naar buiten, naar het leven, waarvan de boeken,
die zij in stilte verslond, haar zulke wonderbare verhalen deden. Maar
boeken zeggen de volle waarheid niet, zij zijn als portretten, zij gelijken
nooit precies, er mankeert altijd iets aan.
Grootmoeder, de oorzaak van alles, dat nare, oude mensch, wat had die
geweten van het leven, van dien ontzaglijken, onleschbaren dorst naar
emoties, naar beweging, naar vrijheid, welke haar verteerde? Wat had
die van het leven gemaakt? Bah! één lange schoonmaakdag,
één breikous!
En die arme oom had niets te zeggen, niets! Foei! wat kon ze haar verachten,
die vrouwen, er haar eer in stellend de mannen te vertroetelen, te verwennen,
door allerlei kleine koorden van prettige gewoonten te binden aan hun
huis. Niet genoeg dat zij zelf slakken waren, zij maakten het haar mannen
ook nog.
Het was natuurlijk grootmoeders wil dat zij zoolang op kostschool bleef;
in naam was oom Bernard haar voogd, in waarheid echter heerschte grootmoeder
oppermachtig als voogdes, en grootmoeder had reeds bepaald vóórdat
Hortense uit Indië kwam:
"Het kind moet onderwijzeres worden; op haar achttiende jaar zal
zij examen doen."
[33:]
Met het kind, haar
neigingen, haar bekwaamheden geene rekening gehouden, zij moest eenvoudig.
Aanleg was er genoeg, misschien zelfs te veel voor een gewoon examen,
maar den zin kon men ver zoeken.
"Ik doe mijn examen niet, ik studeer er niet voor," zeide
zij, pas twaalf of dertien jaar oud; "voor rekenen kom ik er toch
niet door."
"Maar je moet toch iets worden," verklaarde grootmoeder wanhopig;
"denk je dat ik je levenslang genade-brood te eten wil geven?"
Met een onbeschrijfelijken blik zag zij de oude vrouw aan.
"Genadebrood! Papa heeft toch geld nagelaten, en aan mij en van
niemand anders."
"Heb je van mijn leven!" en grootmoeder vroeg met geweldige
kleur op haar perkamenten wangen:
"Hoe weet je dat, wie heeft je dat verteld?'
"Dat weet ik!"
"Maar weet je ook, juffrouw Wijsneus! wat een bedroefd beetje dat
is? Niet eens voldoende om je schoolgeld te betalen."
"'t Zal toch genoeg zijn als ik van school kom, voor mijn kost."
"Bij wie? Bij mij? Ik dank je, ik heb mijn rust lief, ik wil je
hier niet in huis hebben voor geen ton vol goud. En je moet het zelf
weten, als je je best niet doet voor je examen, dan kom je in de vacanties
ook niet meer thuis."
"Daar kan ik niets aan doen, maar examen doe ik niet. Ik wil andermans
kinderen geen wijsheid inpompen."
"Wat een uitdrukking! Waar leer je dat van? Je wordt een nagel
aan mijn doodkist."
[34:]
Het kind lachte;
onwillekeurig telde zij op haar vingers alweer na, met hoeveel nagels
grootmoeders doodkist eenmaal toegespijkerd zou worden.
"En dan lachen ook nog! O, o!"
Voor het eerst had mevrouw Charière haar portuur gevonden: anderen
hadden voor haar gebogen of waren haar uit den weg gegaan. Dit kind
deed geen van beide.
"Maar word dan iets anders, apothekeres, muziekmeesteres, postbeambte,
telegraphiste, winkeljuffrouw, modiste."
"Ik heb geen trek onder de menschen te gaan. Van mijn geld wil
ik leven."
"Bernard! Kom eens hier! Dat kind maakt mij dol; Zij verbeeldt
zich schatten te bezitten en wil niets leeren..."
"Ik wil wel leeren, maar alleen wat mij belieft."
"En wat is dat dan?"
"O, heel veel!"
"Maar daar kom je niet mee door de wereld. Luiheid is des duivels
oorkussen. Hard werken is het beste tegengift voor een slechten aard.
Dien overwint men door werken het best..."
"Moeder," zeide Bernard zacht verwijtend; en toen het kind
bij de hand nemend; sprak hij vriendelijk:
"Hortense, ik zal je zeggen wat je vader nagelaten heeft. Ik tracht
het kapitaaltje zoo goed mogelijk uit te zetten en het zoo zuinig mogelijk
met je aan te leggen..."
"Ja, dat weet ik, oom!"
En het meisje keek naar haar treurige kleeding, die bestond uit stoffen,
al een jaar uit de mode en dus voor een kleinigheid op een uitverkoop
gekocht; verder door een dorpnaaistertje geknipt en genaaid, ook voor
een prijsje.
[35:]
"En toch heb
ik moeite uit de rente je schoolgeld en je kleeding te bekostigen; hoe
wil je dan later daarvan leven, zonder iets er bij te verdienen?"
"Wel oom! Dan neem ik van het kapitaal," zeide het kind en
plotseling kwamen haar die ellendig vervelende sommen, vol percenten
en interest, in de gedachten; nu begreep zij dat rekenen toch ook zijn
nut had.
"Maar Hortense! Dat gaat toch niet, dan kap je den boom om, die
je vruchten moet opleveren, en op een goeden dag bezit je niets meer."
"Och, oom! Dan is het tijd genoeg om geld te verdienen."
"En als je dan niets kent?"
"Neem maar liever een voorbeeld aan je tantes Guus en Mina! Wat
hebben die niet gestudeerd, en wat verdient tante Guus nu toch geld,
en tante Mina had een heel aardig duitje bij elkaar, toen zij met oom
Frans trouwde!"
"En tante Gesina?" vroeg het kind spottend.
"O, die heeft een goed huwelijk gedaan, gelukkig! Die had geen
hoofd om te leeren, die zou bijna in de huishouding gebleven zijn, maar
toen kwam dat aanzoek van oom Willem en zij heeft het best getroffen."
"Kan ik het ook niet zoo treffen, vóórdat mijn geld
op is?"
"Wil jij je met tante Gesina vergelijken? Die was een beeld en
jij bent zoo leelijk als een Hottentot, en die was keurig netjes in
haar spreken, beleefd, echt meisjesachtig, zoo iets als Eveline van
Asten. En die meisjes trouwen het eerst, maar zulke boschduivels als
jij, daar kijken de mannen niet naar."
"Moeder," bracht Bernard er weer tusschen. Hor
[36:]
tense echter lachte
triomfantelijk en in haar hartje zong het:
"Wij zullen zien, wij zullen zien!"
"En 't is een schande, niet waar, Bernard, te wachten op een man!
Dat hoort niet voor een meisjes uit den tegenwoordigen tijd."
"Trouwen is toch de bestemming van elk meisje."
"Wie vertelt jou dat? Hoe kom je daaraan? Zijn dat praatjes voor
zoo'n kind?"
Dat onvruchtbaar gekibbel maakte Bernard zenuwachtig; hij kon er niet
tegen.
"Hoor eens, Hortense," zeide hij op strenger toon dan hij
gewoon was tegen het meisje aan te slaan, "'t past je niet, grootmoeder
zoo tegen te spreken. Zij is veel ouder en verstandiger dan jij, je
bent haar eerbied verschuldigd."
Het kind hield het hoofd diep gebogen als uit schaamte, maar eigenlijk
om een lachje vol ondeugd te verbergen.
"We praten nu ernstig over je toekomst, en het gaat niet aan, er
je met een grapje van af te maken. Is er nu niets, waar je pleizier
in hebt en wat je zoudt willen worden?"
"Jawel, oom!"
"Zoo, is er toch iets!"
"Eén ding!"
"Nu, wat is dat dan? Zeg het gerust!"
Hortense aarzelde; zij keek nu eens haar oom, dan haar grootmama aan,
haar oogen tintelden van schalksheid en haar mond had moeite in de plooi
te blijven.
"Kom, Hortense! Is het zoo moeilijk? Als het eenigszins kan, zullen
grootmoeder en ik je een beroep laten kiezen geheel volgens je neigingen.
Wat wil je dan het liefst worden?"
[37:]
"Paardrijdster!"
Onwillekeurig trok het kind zich terug, als verwachtte zij dat grootmoeders
arm haar ruw zou aanvatten en door elkander schudden; maar grootmoeder
was te bedremmeld, te verpletterd haast om hier iets op te zeggen, nog
minder te doen.
"Zie je wel, zie je wel!" barstte zij eindelijk, uit, "het
kind deugt niet, je bent veel te goed voor haar. Er is niets mee te
beginnen."
Bernard wenkte zijn moeder te zwijgen, maar dit ging zoo gemakkelijk
niet; was mevrouw Charière eens aan den gang, dan kon niets en
niemand, zijzelf het allerminst, den stroom harer welsprekenheid stuiten.
"'t Loopt slecht met haar af. 't Is een zigeunerkind en..."
"Ga naar je kamer! Hortense," zeide Bernard, altijd in vreeze,
dat zijn moeder eens iets onherroepelijks zou zeggen, iets dat een brandmerk
kon drukken in de nog zoo ontvankelijke ziel van het meisje; "je
begrijpt wel dat het onzin is, wat je daar zegt. Een meisje van jou
stand kiest zoo'n betrekking niet."
Na dezen dag werd niet meer van Hortense's beroepskeuze gesproken, maar
naar school werd geschreven, dat zij zich in elk geval bekwamen moest
voor haar examen.
"Dwingen kunnen zij mij toch niet," dacht Hortense en zij
leerde, juist als te voren, alleen die dingen, waarin zij pleizier had,
en de andere liet zij eenvoudig varen.
Zij werd gestraft door niet met vacantie te mogen thuiskomen; een zware
straf, want al was bij grootmoeder alles niet zooals zij het wenschte,
zij maakte het er zich prettig genoeg. In de keuken, waar de meiden
dol op haar waren, was zij meesteres en dan
[38:]
kon zij buiten
dwalen in de bosschen, uren lang in het gras zitten lezen, of krijgertje
spelen met de jongens en meisjes uit de buurt.
Grootmoeder bromde als zij thuiskwam, maar liet haar den volgenden dag
toch weer gaan; hoe minder zij van haar kleinkind hoorde, hoe liever
het haar was, dan had zij er ten minste geen last van.
En zoo ging het voort, jaar uit, jaar in! Zij vorderde niets met haar
examen; de onderwijzeressen werden haar ook moeder; haar onafhankelijkheidszin,
gevoegd bij zekere onverklaarbare aantrekkingskracht, waardoor zij alle
meisjes tot zich trok en op de wandeling alle heeren naar zich deed
kijken, deed hare onderwijzeressen even vurig wenschen naar het vertrek
van "de Patriarch" als zij zelf.
Eindelijk schreef men aan Bernard, dat het onmogelijk was zijn nichtje
langer te houden, daar zij toch niet wilde leeren voor haar examen,
en met dezelfde post kwam er een kattebelletje van Hortense zelf, met
de woorden:
"Beste Oom en Voogd,
"Als u mij niet spoedig thuis laat komen, dan loop ik weg. Er is
een circus hier in de stad; u kent mijn roeping en ik zal mij daar engageeren.
Ik had het al lang gedaan, maar ik laat het om u."
"En om iemand anders!" dacht Hortense er bij, terwijl zij
het briefje sloot.
Twee dagen later kwam oom haar halen, terwijl grootmoeder wanhopig zuchtte
en aan al haar kennissen verzekerde dat zij den duivel in huis kreeg
en dat 't haar dood zou wezen, ja dat wist zij zeker.
Gelukkig dat het kind ten minste zoo leelijk was, anders zou haar ongeluk
niet te overzien zijn.