[193:] XXII.
Het was om er het
geduld bij te verliezen; dag in, dag uit, week in, week uit, niets kreeg
men te hooren van Philip. Wat men ook beproefde, niets hielp. Advertentiën,
oproepingen in de couranten, niets werd beantwoord.
Hortense bleef bij haar oom; zij waschte 's morgens de kopjes en berg
de het theegoed weg, zij stofte de meubels af, ging eens uit, kwam weer
thuis, zette koffie klaar, handwerkte een weinig, bleef voor het raam
zitten kijken, redderde haar ooms boeken op in afwachting dat hij thuiskwam.
Dat uitkijken naar hem bracht de éenige verandering in haar leven,
het was iets om naar te verlangen alle dagen; maar alle dagen ook bekende
zij zich zelf, dat het eigenlijk niets voor haar beteekende of hij in
de kamer was.
't Kon haar niet schelen, en hem nog minder, of zij elkaar zagen of
niet. 's Avonds gingen zij soms wandelen door het Vondelpark, nu de
avonden langer werden, een enkelen keer dronken zij een kopje thee in,
het "Pavilloen" en keerden naar huis terug, bijna geen woord
sprekend, elk verdiept in zijn eigen gedachten, mijlen ver van elkander
verwijderd. En als zij dan 's avonds op haar kamertje terug was, wierp
Hortense zich voorover op haar bed en bleef er liggen, zoo neergedrukt,
zoo verpletterd als ware een niet te dragen last op haar geworpen, waaronder
zij zich niet kon opheffen.
Zij kermde zachtjes en zuchtte soms tranen, hoe vurig zij er naar verlangen
kon, verschenen nooit, en altijd klaagde zij:
"Mijn mooi leven, wat heb ik er mede gedaan?
[194:]
Waarom het toch
zoo bedorven? Zal 't ooit weer terechtkomen? Mijn beste krachten verspil
ik hier; ik kan toch wat beters doen dan oom tot last zijn! O, waarom
mij toen door die vrouw laten weerhouden? Hij komt toch niet meer!"
En haar dorst naar glans, naar gloed, naar leven keerde met geweld terug!
En zij kon, zij mocht dien niet bevredigen, een herfstdraad lag tusschen
haar en de schitterende wereld, en die draad was de band, die haar aan
Philip hechtte.
"Ik moet iets doen!" zoo herhaalde zij telkens iederen avond,
en 's morgens stond zij op en vroeg zich af: "maar wat?" en
dat bleef zij vragen den heelen, langen dag door.
Zij had niets, geen enkelen plicht, geen enkel belang, alles was even
leeg, even blank, even koud; zij gevoelde zich weer zoo jong, zoo gezond,
zoo sterk.
Er leefde een behoefte in haar, die bij den dag aangroeide, om te werken,
te handelen, te voelen. Zij zag het oogenblik naderen, waarop het haar
niet langer mogelijk zou zijn dien drang te verstikken en wat dan? Zij
wilde, zij kon niet afdalen, zij moest haar man waardig blijven, hij
mocht haar geen verwijt doen, want al was hij de oorzaak van al haar
lijden, hij deed het slechts uit liefde, uit verschooning voor haar.
Haar lafheid was oorzaak van alles geweest.
Wat zou zij nu anders zijn - wat zou zij nu hem ter zijde staan in het
oogenblik van gevaar! Wat voelde zij veel geleerd te hebben, maar nog
niet genoeg, neen, lang niet genoeg. En toen werd een besluit in haar
rijp, eerst heel vaag, maar langzamerhand schrikte zij er voor terug
met alle krachten van haar ziel, en later kwam zij er weer op terug,
aarzelend, schoorvoetend, eindelijk met een gevoel dat
[195:]
het de eenige kans
was tot redding, de eenige hoop op toekomstig geluk.
Op een morgen na het ontbijt zeide zij tot Bernard:
"Oom, ik heb een besluit genomen voor mijn toekomst."
"Maar, kind!"
"Ja, oom! U begrijpt wel dat het zoo niet gaan kan, hier mijn tijd
te verliezen, zonder iets nuttigers uit te voeren, dan uw huisjuffrouw
werk uit de hand te nemen. Daarvoor ben ik toch waarlijk niet op de
wereld. Vindt u wel?"
"Neen, dat geloof ik ook eigenlijk: maar wat wil je beginnen? Ik
zie niet in dat je ergens beter kunt zijn dan hier, of het moet wezen
bij - bij..."
"Mijn schoonmoeder? Neen, oom! Wij zijn nu heel poesjeslief, maar
als ik daar veertien dagen ben, krijgen we ruzie, zoo stellig als ik
hier voor u sta, en blijven dan misschien geslagen vijandinnen, en dat
wil ik niet. Daarbij, dat zou maar verplaatsing zijn van mijn lui leven.
Ik wil iets bepaalds doen."
"En dat is?"
"Kan u 't niet raden?"
Oom Bernard's gezicht nam zulk een komiek verschrikte uitdrukking aan,
dat er weer iets van de oude Hortense in haar oogen kwam, zij begon
te lachen.
"Ik weet wat u denkt, maar daarmee heb ik afgedaan. Dat is al bekeken
van alle kanten. Neen, oom, ik word geen paardrijdster. Die oude illusie
heb ik over boord geworpen, maar - verpleegster!"
"Meisje, hoe verzin jij 't?"
"Een wonderlijke combinatie, hé, oom? Hortense van Asten-Charière
pleegzuster, ziekenoppasster; maar juist het vreemde trekt mij aan en
prikkelt mij, en wat ik wil dat kan ik ook, heb ik eenmaal gezegd;
[196:]
dat is armzalige
pocherij gebleken. Nu zal ik zien of ik beter woord kan houden, 't Is
te probeeren ten minste; u heeft relatiën, oom! Wil u die gebruiken
om mij aan een plaats te helpen, ergens aan een zenuwinrichting?"
"Als je wilt, Hortense, ja natuurlijk! maar - maar - ik vind het
zoo excentriek, voor iemand als jij."
"Zag u mij liever naar den circus of het tooneel gaan? Oom, oom,
ik moet iets doen, ik kan zoo niet langer leven. Wees toch blij, dat
ik het goede zoek, en help mij zooveel als u kan!"
Hortense wist niet wat zij begon; het viel haar eerst vreeselijk tegen.
Zij had veel te worstelen met haar eigen neigingen, met haar omgeving;
zoo als overal waren de mannen te vriendelijk voor haar, de meeste vrouwen
jaloersch; zij was mooier dan ooit, onder het witte kapje en den zwarten
sluier. De zieken zagen haar voorbijgaan als een levenden zonnestraal;
een soort van roman hulde haar in een aureool van poëzie.
Haar man was krankzinnig, vertelde men, en nu wilde zij leeren met zenuwzieken
om te gaan, ten einde hem zelf te mogen verplegen.
Het kostte haar ontzaglijk veel moeite en zelfoverwinning, toch hield,
zij vol en vervulde haar taak zoo goed zij kon.
Mevrouw Van Asten en Eveline dweepten thans met haar. 't Scheelde weinig
of zij verwenschten Philip, die zulk een schat zoo schandelijk verwaarloosde,
en daarom ook verdiende eenzaam door de wereld te zwerven. De hollandsche
couranten scheen hij te lezen, want nadat Eveline's advertentie van
ondertrouw daarin stond, ontving zij een bankbiljet van fl 100 met het
postmerk Barcelona en het bijschrift:
"Zoek afzender niet in Spanje. Meer heeft hij nog
[197:]
niet gespaard;
zoodra er meer is, zendt hij het naar Holland voor zijn onvergetelijke
lievelingen."
Eenige maanden later ontving mevrouw Van Asten f 300, met niets anders
er bij dan de woorden:
"Met haar deelen!"
De brief was afgestempeld in New York.
"En nu voel ik mij sterk genoeg voor hem; zoo sterk als ik mij
vroeger verbeeldde, hoop ik nu werkelijk te zijn," sprak Hortense
na twee jaren en zij zette de volgende advertentie in de door hem blijkbaar
gelezen couranten:
"Herfstdraden.
Kom terug! Het gevaar is niet meer te vreezen.
H. kan ze nu voor u spinnen!"
Weken gingen voorbij... nog niets. De hoop, die Hortense tot nu toe
was bijgebleven, verliet haar, en nu eerst voelde zij het, hoe 't deze
hoop alleen geweest was, die haar in doffe, moeilijke oogenblikken had
gesteund en verlicht; zij deed haar werk zonder ijver, zonder vuur,
zij had er het hart niet meer bij.
Zij behoorde niet tot de vrouwen, die zich kunnen toewijden aan een
algemeen doel, hoe schoon en verheven ook; zij had een tastbaar voorwerp
noodig, waaraan zij zich kon hechten met hart en ziel, een liefde, een
zorg zóó groot, dat het de wilde, opbruisende verlangens
van haar hartstochtelijke verbeelding kon doen bedaren. Zoolang zij
met Philip gelukkig had geleefd, was zij tevreden geweest; de liefde
voor haar kind vervulde haar toen reeds geheel en al, en nu, sedert
zij zoo eenzaam en verlaten was, bezielde haar alleen de hoop, hem terug
te vinden, goed te maken aan hem wat zij tekort gekomen was. Zij dacht
aan hem als aan een zwakke, een zieke; elke patiënt, aan haar zorgen
toevertrouwd, was het beeld van Philip. Zij
[198:]
wijdde zich aan
hen toe met al haar krachten, al haar vermogens, haar nieuw aangewonnen
talenten.
Zij zag slechts hem in hun lijden en zwakte: zij trachtte voor de haar
onverschillige menschen zoo goed, zoo barmhartig, zoo liefdevol mogelijk
te zijn, opdat God haar tot belooning haar man zou doen terugvinden,
haar toestaan hem te verzorgen en te verplegen, hoe hij ook zijn mocht,
- hoe zieker en zwakker, hoe beter.
Maar nu zij de blijde hoop, die haar hart van geheimzinnige vreugde
deed kloppen, vaarwel scheen te moeten zeggen, verflauwde haar belangstelling;
de zieken werden vreemden in haar oog, gewonp, lastige schepsels, die
haar tijd en zorgen in beslag namen als iets dat hun van rechtswege
toekwam; en wat waren zij haar? Immers niets. Eén alleen had
rechten en aanspraken op haar; wanneer hij die niet wilde doen gelden,
waarom zij dan wel? Inwendige verbittering en ergernis vervulden haar.
Alles stond haar tegen; alles walgde haar.
Dwaze, wanhopige plannen krielden in haar hoofd; zij dacht weer aan
heengaan, aan vluchten, verre van hier! Zij begon opnieuw met verlangen
te denken aan dien dag, toen zij zoo dicht bij haar levensdoel gekomen
scheen en een nietsje voldoende was geweest haar te weerhouden. En wat
had het haar geholpen, wat hadden die nachten van waken, die dagen vol
arbeid en werk haar geschonken?
Grenzenlooze verveling kwam over haar; lood scheen haar voeten te bezwaren;
de dokters en hoofdverpleegsters, die haar vroeger hun beste hulp hadden
genoemd, schreven haar veranderde stemming toe aan overspanning, overwerking.
Zij liet hen in dien waan en nam het veertiendaagsche verlof, dat men
haar aanbood, gaarne aan.
[199:]
Mama Van Asten,
die nog steeds in Grondvoort woonde, maar alleen - daar zij liever dagelijks
bij de jongelui kwam, dan den schijn aan te nemen van een schoonmoederrol
te willen spelen - had haar reeds dikwijls gevraagd te komen logeeren.
Zij wilde er nu heengaan. Zij had haar komst niet vooruit gemeld; 't
was alles zoo gauw gegaan, en bovendien zij had er niet aan gedacht,
zij dacht aan niets meer tegenwoordig, niets was meer de moeite waard
om aan te denken.
Zij stapte het stationnetje uit en wandelde langzaam de hoofdstraat
in; het was voor 't eerst na haar huwelijk dat zij hier weer terugkwam,
en als in een stoet trokken de verschillende Hortenses voor haar geest
voorbij. Het kleinkind van grootmama, de half wilde indische meid; toen
de Hortense op de fiets, alle Grondvoortenaars uitdagend en den knappen
Philip wegkapend; eindelijk Hortense, de bruid - zij zag nog haar beeld
in den spiegel, met elk plooitje in haar sluier, elk bloempje in haar
krans. Wat had zij toen getriomfeerd tegenover de Van Astens en allen
die haar vroeger benijd hadden!
En nu kwam zij weer terug in het stemmige, zwarte kleed van een ziekenzuster,
het witte mutsje op de kroezende haren en den donkeren sluier voor het
gezicht, want zij wilde niet herkend worden, zij wilde niet aanstellerig
doen, zij wilde zich niet opzettelijk in haar nieuw kostuum vertoonen
om den stoet der verschillende Hortenses ook voor anderen te doen ontrollen.
Zij schelde aan het bovenhuisje.
"Is mevrouw thuis?"
Ja, mevrouw was thuis.
Zij liep de trap op naar boven.
[200:]
"Wordt u verwacht?"
vroeg het meisje verwonderd.
"Ja," antwoordde zij ongeduldig.
Zij tikte haastig, maar wierp meteen de deur open; op de canapé
zat mevrouw en naast haar...
"Hortense!"
Zij stond versteend, den sluier met de eene hand van het gelaat wegschuivend.
Toen voelde zij een paar forsche armen haar omsluiten; een donker gelaat,
door een zwaren baard omringd, op haar lippen drukken. Zij voelde iets
krachtigs, dat haar ophief en steunde; het visioen van zwakheid en ziekte
verdween voor haar geest; de oogen sluitend, gaf zij zich over aan de
nieuwe bekoring, die over haar kwam, en onhoorbaar fluisterde zij:
"O Philip, mijn Philip, mijn man!"