XXI.
Nog nooit had Hortense
tegen iets zoo opgezien als
tegen de ontmoeting met d i e t w e e , zooals zij in gedachten schoonmoeder
en schoonzuster noemde.
De heele reis door had haar dat gedreigd als iets vernederends, een
herhaling van vroeger, toen zij haar de deur hadden uitgezet. Waarom
had zij toch weer die lui gezocht, - - er waren toch meer mannen op
de wereld dan Philip! 't Was toen zoo'n genot geweest, Eveline en haar
moeder te weerstaan en te dwarsboomen door op hun schat beslag te leggen
en hem haar te ontnemen, maar nu vond zij het echt schoolmeisjesachtig
en min, zoo'n wraakneming, die nu nog zoo treurig moest afloopen.
Zij werd er wee van, als zij dacht aan die scène van straks;
dat theatrale snikken en die verwijten en inwendig te moeten bekennen:
zij hebben gelijk! En oom was ook zoo vervelend en preekerig. Alles
stond haar tegen. Was zij maar niet in Holland gekomen!
O, die laffe Philip, om weg te loopen en niet te wachten tot zij sterker
was. Dat moest nu een steun beteekenen! Wat had zij 't toch ellendig
getroffen op de wereld...
Een moeder die haar in den steek had gelaten, een vader die haar weggezonden
had, een grootmoeder die
[184:]
haar haatte, en
nu een man die haar bijna vermoord had en daarna ook verliet - uit liefde.
Zij lag bijna den geheelen nacht wakker, zich hoe langer hoe meer opwindend.
"Ik sta geheel alleen, ik ben alle menschen tot last, zelfs oom.
Het lot schijnt te willen dat ik mij van alles losmaak. Nu, dan moet
ik er mij zelf ook maar doorheenslaan en een wanhopig besluit nemen."
Wat haar eerst onmogelijk had toegeschenen, trok haar hoe langer hoe
meer aan. Wie zou haar beletten haar bestemming te volgen? De omstandigheden
dwongen er haar toe, zij kon niet anders, zij wilde hier niet blijven!
Zoetjes de grieven aanhooren van mevrouw Van Asten en Eveline, of haar
medelijden ondervinden misschien, dat was nog erger. Dan maar liever
!
Toen zij na een onrustigen slaap wakker werd, was het al laat. Zij had
een oogenblik noodig om tot bezinning te komen, maar toen zij zich haar
laatste besluit weer herinnerde, voelde zij zich opgeknapt, met veel
meer energie bezield.
Zij stond op, kleedde zich met meer zorg dan in den laatsten tijd en
ging toen naar de woonkamer.
Oom was uit.
"Best," dacht zij, "mooier kan 't niet!"
Haastig at zij een stukje brood, ergerde zich over de flauwe thee, zette
haar hoedje op en deed haar mantel om. De opwinding gaf haar kleur,
en zij zag er veel beter uit dan gisteren, nu haar zwarte oogen hun
matte uitdrukking hadden verloren en weer fonkelden als in hun besten
tijd.
De mevrouw van het huis kwam haar op het portaal tegen en keek een beetje
verwonderd,
[185:]
haar reeds zoo
gehoed en gemanteld te zien.
"Gaat u uit, mevrouw?"
"Ja, even een boodschap doen."
"Kent u den weg?"
"O stellig, evengoed als u."
"Meneer heeft gezegd, dat wij om één uur moeten koffiedrinken,
en. dat er nog twee dames zouden komen vóór dien tijd."
"Jawel, dat weet ik."
"Dan is u zeker wel weer thuis!"
Een gedachte vloog door Hortense's hoofd.
"Ik ga ze van den trein halen."
"Heel best, mevrouw, heel best!"
En Hortense stond op straat, vrij, geheel vrij, vast van plan dit huis
niet meer te betreden, in zich zelf lachend over de gezichten van mevrouw
Van Asten en Evelientje, als die zouden hooren dat zij haar had willen
afhalen en nu maar niet verscheen.
Al haar geld droeg zij bij zich, in haar rokzak genaaid, een wissel
op een der Amsterdamsche banken en wat goudgeld en bankpapier. Voor
't eerst sedert de catastrophe voelde zij zich weer een beetje zich
zelf, de oude, brutale Hortense, die de omstandigheden zoo goed mogelijk
aan zich dienstbaar maakte en zich door niets liet overheerschen.
"Wat moois, dat geleuter van die vrouwen aan te hooren" -
Hortense had over 't algemeen weinig met vrouwen op - "en dan later
al die Baarnsche lui weer ontmoeten, die mij aankijken als een wild
beest; en oom ziet mij ook liever gaan dan komen. 't Is altijd een illusie
van mij geweest, van jongs af." En terwijl zij daar met krachtigen,
elastischen tred voortging in den opwel,kenden, frisschen voorjaarsmorgen,
dacht zij terug aan haar eersten, heldersten in
[186:]
druk, een zon te
midden van al het grauwe, nare, vervelende en ergerlijke van haar eerste
jeugd: dien avond in den Circus op het Koningsplein te Batavia.
Zij hoorde weer die verrukkelijke muziek. Zij had moeite, niet weer
als toen te trappelen met haar voetjes en te klappen in haar handjes;
die vurige paarden, die mooi gekleede menschen, die buitelende clowns;
zij herdacht de heerlijke droomen van den nacht daarop en aan haar stille
belofte aan zich zelf ook eens paardrijdster te worden.
Zij had het indertijd moeten doorzetten, - nu was 't misschien te laat;
zij kon goed paardrijden, zij had 't in Indië veel gedaan, maar
dat was niet genoeg om succes te hebben. Zij zou nog veel moeten leeren;
natuurlijk zou zij nooit door hoepels springen, maar niets doen dan
schoolrijden, zooals mevrouw Carré. In elk geval ging zij nu
naar den directeur van den Circus, en hij zou haar wel inlichtingen
geven wat zij doen moest om zich in den kortst mogelijken tijd te oefenen.
Zij wilde dat in Parijs of Brussel doen, vertrok van avond nog daarheen
en telegrapheerde morgen aan oom om al haar bagnge na te zenden.
't Was toch heerlijk, weer zoo vrij te zijn, door geen enkelen band
gebonden, niemand verantwoording schuldig te zijn, zich weer geheel
jong meisje te voelen, en dan het éénige genot die deftige
menschen te ergeren, haar familie en die van Philip, evenals vroeger
de Grondvoortenaren met haar fiets.
Zij zag er weer uit als het Oostersche duiveltje van vroeger; de prachtoogen
flikkerden en glansden ondeugend, haar kleur was frisch, en om haar
lippen zoo'n uitdagend lachje.
De heeren keken allen om en zagen haar aan, zij merkte het, en eerst
deed het haar plezier; zij was
[187:]
toch niet de oude,
leelijke vrouw, die zij zich in den laatsten tijd verbeeld had te zijn.
Aan boord was zij bijna haar hut niet uitgekomen, zij had zich met geen
der weinige passagiers beziggehouden; niemand voelde er behoefte aan
met haar kennis te maken, zij zag er zoo knorrig, ontevreden en onverschillig
uit, zij wist toen niet wat zij doen zou met het leven, maar nu wist
zij het, en geen macht ter wereld zou haar er afbrengen.
Maar toen zij merkte, dat zij ieders aandacht trok, begon het haar te
vervelen en te ergeren. Hoe kwam dat? Er was toch niets bijzonders in
haar stemmig, modieus toilet? 't Is waar, zij liep door de Kalverstraat,
maar 't was nog vroeg en 't kon haar eigenlijk niets schelen waar zij
liep; maar waar zij zijn moest, dat was nog een eind ver, - zij kon
wel in de tram gaan zitten, - en zij sloeg de eerste de beste zijstraat
in naar het Rokin, ging de tram tegemoet en stapte in.
Zij bleef eerst alleen. Iets verder kwam een net gekleed burgervrouwtje
binnen, met bleeke kleur, roode oogen en afgetobd gelaat; vol zorg droeg
zij een pak, in een rooden, gehaakten wollen doek gewikkeld, en zocht
een plaatsje, beschut tegen den tocht. Een oogenblik later werd Hortense's
aandacht getrokken door een zacht gekreun; onwillekeurig keek zij de
vrouw aan, en deze, dorstend als het ware naar wat sympathie, zeide
op klagenden toon:
"'t Is wat te zeggen, juffrouw!"
"Heeft u daar een kindje?" vroeg Hortense, alleen maar om
niet onbeleefd te zijn; want tegen deftige dames nam zij gaarne airs
aan, die beteekenen moesten:
"U is u, maar ik ben ook ik!" Maar tegen arme menschen was
zij altijd voorkomend en vriendelijk.
[188:]
De vrouw wachtte
alleen maar op deze aanmoediging, om even den rooden doek weg te trekken;
misschîen vond zij 't prettig, een voorwendsel te hebt ben de
kleine zelf weer te mogen zien. Veel moois was het niet, een mager schaap,
het hoofdje - voor zoover het niet verborgen was door een gehaakt mutsje
- vol dauwworm, erbarmelijk kreunend van pijn, nog dieper treffend dan
wanhopend schreien.
Nu keek Hortense met meer belangstelling naar het wurm, en de vrouw
ging voort:
"Ik breng het naar 't Kinderziekenhuis. Bij ons thuis kan het niet
beter worden, en daar hebben zij alles er voor. Maar 't is toch zoo
hard."
"Is 't uw eenige?"
"Ja, ik heb er vijf gehad en allen zijn gestorven toen zij een
paar dagen oud waren, en met dit heb ik getobd zoolang het leeft, en
als ik 't nu weer missen moest! 't Is of je telkens een stuk van je
hart mee in de kist legt."
En zij boog zich over het kind en kuste het hartstochtelijk.
"Als ik je maar houden mag, niet waar, liefje! Onze Lieve Heer
heeft al engeltjes genoeg in den hemel en je arme moe heeft niets anders!
't Is wel hard het weg te brengen, maar 't is het eenige middel zeggen
ze om het te redden!"
Zij streek zich de tranen van haar wangen.
"Hoe oud is 't," vroeg Hortense met onzekere stem.
"Vijf maanden."
Zoo oud zou haar kindje ook zijn geweest!
"En vindt uw man het ook naar, dat het weg moet?"
Er kwam een bittere trek om de lippen der arme vrouw.
[189:]
"Hij is wat
blij dat gekreun niet meer te hooren, en daarom doe ik 't ook!"
"Om dien kerel ?"
"Hij is mijn man," sprak de vrouw eenvoudig, "ik heb
hem uit vrijen wil getrouwd, en hij is toch ook jou vader, niet waar,
hartje?"
Horlense keek uit het raampje naar buiten. Juist reed men over een brug:
de zon glinsterde over het water en stak haar in de oogen, daarom brandden
zij zeker zoo. Zij nam haar zakdoekje en drukte het er tegen, en toen
zij het er afnam, was 't nat van tranen.
"Heeft mevrouw ook kindertjes ?"vroeg de moeder.
"Ik heb er één gehad, maar 't is dood, doodgeboren."
"Och! Dat is nog veel harder, als je nooit zijn oogen hebt opengezien
of zijn stemmetje gehoord."
En plotseling vervulde een stortvloed van herinneringen Hortense's ziel.
O, die heerlijke maanden vóórdat het gebeurde, die zorg
van Philip, die aan aanbidding grenzende liefde! Neen, zooals hij, had
niemand ooit van haar gehouden, en om een vlaag van toorn, om een paar
woorden hem ontsnapt, die hem zoo bitter berouwden, dat hij met zijn
leven en nu met zijn levensgeluk er voor boeten wilde, had zij hem verstooten.
Zij kon 't niet meer uithouden in deze gesloten ruimte; zij gaf de vrouw
een rijksdaalder,
"Koop iets voor den kleine."
En zonder den dankbaren blik van het vrouwtje te zien, ging zij vóór
staan bij den koetsier en beet haar zakdoek stuk, om niet in tranen
uit te barsten.
Die vrouw kende beter haar plichten dan zij; die redeneerde niet met
zich zelf, die analyseerde haar gevoel niet om te weten of zij van haar
man ooit gehouden had of niet; die ging maar flink vooruit, al
[190:]
bloedde haar 't
hart, en zij was op het punt met haar verleden te breken, elken band
te verscheuren tusschen haar en Philip, een toekomst in te gaan van
gevaar, misschien van schande, in elk geval iets wat niet paste bij
den naam, dien zij droeg en dien ook haar kind zou gedragen hebben.
Zij was reeds den Circus voorbij. Plotseling liet zij de tram stilhouden
en stapte uit, maar zij ging niet terug en liep doelloos voort; haar
opwinding was geluwd, en in plaats daarvan vervulde haar niets dan oneindig
medelijden met Philip en vurig verlangen naar hem.
"Wij hebben elkaar te vergeven! Toen ik ziek was, zag ik dat in,
maar later heb ik mij opgedrongen dat ik alleen de beleedigde was. Oom
heeft gelijk, ik moet Philip terugvinden, en ondertusschen mag ik niets
doen wat zijn vrouw, de moeder van zijn kind, onwaardig zou zijn."
Zij stond bij het station Weesperpoort en dacht toen aan de leugen,
die zij ooms hospita had gezegd.
Juist stoomde er een trein binnen.
"Verbeeld je, als mevrouw Van Asten daarmede aankwam en ik ze afhaalde?"
Dat was iets anders dan een engagement zoeken in een paardenspel, maar
Philip zou 't liever zien, en resoluut zooals steeds, wanneer zij iets
vast besloten had, ging Hortense het perron op.
Daar zag zij ze allebeide, en onwillekeurig moest zij er om lachen,
zij die twee afhalen! Maar 't was of een ander handelde in plaats van
haar en of die doen moest wat zij deed.
Zij liep de beide dames tegemoet, mevrouw Van Asten reeds heel vergrijsd
en verouderd in haar zwarte kleederen, Evelientje lief, frisch, netjes
als altijd.
[191:]
"Mama!"
zeide zij nog vóór zij 't zelf wist.
"Ach, kind! Jij hier!"
En toen viel zij snikkend om mevrouw Van Asten's hals en fluisterde:
"Wees niet boos op mij, ik was zwak en ziek!"
Mevrouw Van Asten en Eveline hadden een zeer statige en indrukwekkende
ontvangst van Philip's vrouw bedacht, maar alles viel in duigen, toen
zij haar zoo bedroefd, berouwhebbend en klein zagen. Gelukkig was vooral
mevrouw oprecht verteederd en besloot nu de hartelijke schoonmoeder
te spelen, en Eveline was in haar hart juist zoo gelukkig, omdat gisteren
de candidaat-notaris zijn groote vraag had gedaan, dat zij zich veel
liever medelijdend dan stijf en beleedigd voordeed.
Zij sloeg den arm om Hortense, en mevrouw nam haar hand in de hare.
"Wij moeten een rijtuig nemen," zeide zij, en een oogenblik
later zaten zij met hun drieën in een vigilante.
"Hoe lief, dat je ons komt afhalen! Wat zie je er nog zwakjes uit!"
zeide zij.
En Eveline gaf haar eau de cologne en verweet haar vriendelijk dat zij,
pas gisteren aangekomen, zich nu reeds de moeite had gegeven haar af
te halen.
Zij waren van plan geweest eerst bij "Kras" te dejeuneeren
en dan naar 't huis van oom Charière op te wandelen.
"Neen, oom wacht u stellig met het dejeuner."
"Ik begrijp niet dat hij je toestond ons af te halen,"zei
mevrouw Van Asten ontevreden, "juist iets voor hem! Hij kan met
geen vrouwen omgaan."
"Maar hij was toch laatst heel aardig tegen mij," verzekerde
Eveline.
[192:]
Oom vertrouwde
zijn oogen niet, toen het rijtuig stilhield en drie dames uitstapten;
"mevrouw" had nog geen gelegenheid gehad, hem te zeggen dat
zijn logée de andere dames was gaan afhalen, want hij kwam zoo
juist thuis.
En mevrouw en Eveline waren zoo vol zorg voor Hortense, zij vertroetelden
haar, en zij liet hen begaan, en 's middags vertelde zij hen alles;
zij had nu behoefte aan liefde en hartelijkheid, en de dames konden
werkelijk allerliefst zijn als zij wilden. Zoo ver ging de liefheid
zelfs, dat zij Philip ongelijk gaven, omdat hij alles vergooid en stellig
in een dolle bui gehandeld had.
"Konden wij hem maar terug vinden!"
En oom Bernard, het schreiende en liefkoozende groepje van drie ziende,
schudde het hoofd en herhaalde bij zich zelf voor den honderdsten keer:
"Die vrouwen, die vrouwen! Je weet toch nooit hoe je het er mee
hebt. Zij doen alles heel anders dan je verwacht!"
Maar Hortense greep telkens krampachtig naar de leuning van den stoel
en keek rond. Was het een droom of niet, zat zij hier tusschen de huilende
engelen, door hen gevleid en gekoesterd, of had zij haar schepen achter
zich verbrand en reisde alleen naar Brussel als ecuyère in spe?
Toen zij 's avonds alleen op haar kamer was en over den dag nadacht,
herinnerde zij zich nog eens alles, en in een opwelling van dankbaarheid
op haar knieën vallend, riep zij uit:
"O God! Ik dank U voor die redding! Gij hebt mij gered zooals hem.
- en ik verdiende het niet!"