II.
Mevrouw Van Asten
was eens het meisje geweest, dat bijna mevrouw Bernard Charière
had mogen heeten.
Voor deze ongelukkige liefde had het leven haar niet veel vergoeding
gegeven; zij was met notaris Van Asten, een weduwnaar, getrouwd, die
met zijn zoontje geen raad wist, maar een goede positie had en haar
bevrijdde van het gehate schooljuffrouwenleven.
[15:]
Wat Bertha van
Asten op zich nam, daar zorgde zij goed voor. Philip van Asten vermoedde
nog niet, dat zij maar een stiefmoeder was, hij aanbad haar letterlijk;
zijn vader was echter hoe langer hoe abnormaler geworden, totdat hij
nu vier jaar geleden in een krankzinnigengesticht was opgesloten; mevrouw
Van Asten bleef met twee kinderen in vrij benarde omstandigheden achter,
want Van Asten had er altijd goed van geleefd; zijn zaken waren hopeloos
in de war, toen de ramp kwam en hij ontoerekenbaar werd geacht.
Daar stond dus de zorg weer aan de deur, die zorg, welke haar als kind
in liet vaderlijke huis voortdurend had omringd; de zorg, die haar zulk
een vreugdelooze jeugd had bereid, een jeugd, geheel en al gewijd aan
de jacht naar examens, die foltertuigen onzer moderne maatschappij,
en toen dat ellendige onderwijzeressenleven; o foei! wat zij er van
walgde. Huishouden, kinderkleederen maken, voor kinderen zorgen, maar
kinderen, waar zij iets voor voelde, dat was haar ideaal, en in plaats
daarvan moest zij in een volksschool staan met akelige, ondeugende bengels,
die haar wreed plaagden.
Met Bernard Charière was zij als het ware opgegroeid; haar flinkheid
trok hem aan, zij mocht hem graag - omdat, ja misschien alleen omdat
hij werk van haar maakte, omdat zij een leven met hem verkieselijker
vond dan dat treurige slaven op school. Van hun huwelijk kwam, dank
de oude mevrouw, niets. Vijf; zes jaar sleepte zij het leven voort;
toen kwam het voorstel van notaris Van Asten. Zij kende zijn vrouw,
zij bracht soms haar vacanties bij hen aan huis door en hij had haar
leeren waardeeren; daarbij was zij dol op kleinen Philip en nu nog hield
zij van hem, misschien nog meer dan van haar eigen Evelientje.
[16:]
Met een soort van
jaloezie had zij geëischt, dat de vader hem nooit zou zeggen, dat
zij zijn eigen moeder niet was; het ging gemakkelijk, want familie van
vrouwskant bezat Van Asten zoogoed als niet. Het geld van het kind had
zij willen redden, zoo veel het mogelijk was, daarvoor had zij zelfs
gaarne de belangen van zichzelf en van Evelientje opgeofferd, maar alles
was reeds versmolten. En zoo was mevrouw Van Asten nu eigenlijk nog
armer dan vóór haar huwelijk; toen had zij alleen voor
zichzelf te zorgen, nu moest zij nog de verpleging van haar man in het
gesticht betalen en had zij twee kinderen te haren laste. Maar zij had
een veerkrachtige natuur; toen zij alleen voor zich zelf te zorgen had,
sleepte zij zich voort; nu zooveel afhing van haar cordaatheid en haar
handelen, voelde zij zich gesterkt en geprikkeld.
Zij ging weer terug naar Grondvoort, het stadje van waar zij afkomstig
was en dat intusschen zekere reputatie als "Sommerfrische"
had opgedaan. Zij huurde daar een villa, meubelde die met het overschot
van haar vroegere welvaart en nam des zomers families in pension. Daar
zij vlug, zindelijk, opgewekt en vooral overleggend was, ging het haar
goed; reeds des winters waren de appartementen in "Villa Gloria"
besproken.
Aan Evelientje had zij buiten de school uren reeds veel hulp.
Philip ging naar de H. B. School, waar Bernard Charière hem gaarne
mocht lijden, omdat hij de lieveling was zijner oude vriendin en ook
omdat hij met zijn buitengewone geestvermogens alle jongens, ouder dan
hij, ver achter zich liet.
Anders een echte wildzang, maar dit verontrustte zijn moeder niet; iets
anders was er wat haar met vreezen en beven vervulde, het was dan,..
als zij in de
[17:]
oogen van haar
jongen iets zag, dat haar aan de ziekte zijns vaders herinnerde. Het
kwam slechts zelden op en het flikkerde dan vluchtig, zeer vluchtig,
maar dan tolde haar het bloed in de aderen, en alles wat zij in de laatste
jaren met Van Asten had doorgemaakt, wat zij door hem had geleden, steeg
weer naar boven.
Philip was ondanks zijn ondeugd een hartelijk, volgzaam kind, maar had
soms vlagen van redelooze, wilde drift; zijn moeder alleen wist hem
te kalmeeren.
Uit liefde voor haar hield hij zich in, maar soms werd het hem te zwaar,
zijn kinderlijke wilskracht was niet bestand tegen de kracht van zijn
temperament en er kwamen aanvallen zoo hevig, dat zij zijn omgeving
met schrik vervulden.
"Kind, je begaat eens een moord!" sprak de moeder vermanend.
"Mama!" riep hij angstig en klemde zich aan haar vast, "wat
moet ik doen? Ik weet zelf niet, hoe 't over mij komt, maar dan wordt
het hierbinnen zoo donker en zoo verward."
"Willen, sterk willen! En God bidden om kracht," antwoordde
de moeder en kuste hem op het voorhoofd.
Zij behandelde hem meer als een zieke, dan als een toerekenbaar persoon;
dat had zij immers bij zijn vader geleerd, die haar bitter had mishandeld
en vervolgd en het toch ook niet kon helpen.
Eens vertelde zij hem een sprookje.
"Heb je ze wel gezien, Philip, de draden in den herfst, die langs
de wegen zweven; weet je wat die zijn? Draden, door de engeltjes gesponnen
en uit den hemel naar de aarde gezonden. Als de kinderen iets kwaads
willen doen, spannen de engelen die draden voor hun voeten en dan kunnen
zij niet verder en bedenken zich bijtijds. Nu moet je altijd denken,
Philip,
[18:]
dat mama de engelen
bidt die herfstdraden voor je te spannen, telkens als je in drift uitvaart
en niet meer weet, wat je doet of zegt. Zal je altijd trachten aan die
herfstdraden te denken, mijn jongen, wanneer dat weer over je komt?"
En Philip beloofde, maar zonder veel vertrouwen; hijzelf voelde instinctmatig,
dat ijzeren ketens niet in staat zouden zijn, dien hartstocht te breidelen.
Hadden ijle herfstdraden dan meer macht?
"Mama," zeide hij, toen hij dien avond thuiskwam, "over
dat ben ik meester gebleven; ik zag uw herfstdraden."
De moeder glimlachte, zij wist wat hij bedoelde.
"Wat is er dan gebeurd, ventje?"
"Die ellendige meisjes, met die zwarte nikker van Charière
aan het hoofd, hebben ons zoo gemeen behandeld. Die meid heeft me gekrabd;
kijk eens, hoe 't gebloed heeft, en ik heb niet teruggeslagen - o, maar
't klopte zoo daar."
En hij wees op zijn hoofd.
Mevrouw Van Asten kuste hem hartelijk en lachte hem vriendelijk toe.
"Nu krijgt mijn jongen van avond ook een heerlijk trosje druiven."
"Neen, Ma," zei Philip, "dat moet u me niet geven. Ik
ben zoo al tevreden genoeg, dan zou ik denken, dat het om de druiven
was, en ik wil het afleeren, ik wil..."
En toen dicht bij haar kruipend, den arm om haar geslagen, de lippen
bij het oor, fluisterde hij:
"Niet waar, Mama, als papa in zijn jeugd dat ook had tegengegaan,
dan zou hij nu immers niet ziek zijn?"
"Ik hoop het, mijn jongen!" Haar stem trilde. Het
[19:]
kind begreep; het
vreeselijke lot zijns vaders wierp reeds een vale schaduw op zijn jeugd,
die zij zoo gaarne zonnig en vroolijk had gemaakt.
Den volgenden morgen ruimden mevrouw en Eveline het ontbijt der gasten
weg en ondertusschen spraken zij over Philip. Evelientje was een allerliefst
klein vrouwtje, bijna te bedaard en te wijs voor haar leeftijd; haar
moeder kon met haar spreken als met een vriendin.
"Hij moet niet te veel met die Hortense spelen: zij is wilder dan
de jongens," zeide Eveline, "geen oogenblik kan zij stil blijven
zitten."
"Ze zoeken mekaar altijd op, al kibbelen zij ook nog zoo. Ik vind
het wel een aardig kind."
"'t Is een schande, vindt u niet, Ma, zooals zij haar toetakelen.
Kleeren zoo kort! Zijn ze dan zoo arm?"
"Wel neen! Maar mevrouw Charière is zuinig."
"Maar u is toch ook zuinig, Ma, en u heeft nog meer om voor te
zorgen."
Mevrouw Van Asten glimlachte.
"Wat zullen wij hun van middag geven, Lien?"
"Zij hebben in lang geen snijboonen gehad."
"Er is nog zooveel vleesch overgeschoten van gisteren."
"Een jagersschotel?"
"Hè ja, dat konden wij doen en geen soep! Daar eten ze toch
niet van in deze hitte. Waar is Philip?"
"lk wed, dat hij met Henri weer die meisjes is gaan opzoeken. Hij
leert het nooit af."
Philip en Hortense zaten nu echter doodbedaard aan den rand van een
dennenboschje, dat iets verder lag dan het huis van haar grootmama.
Hortense zocht dennenappelen, met een ijver of zij van de opbrengst
moest leven. Philip was alleen met zijn hondje daar komen spelen; het
hondje kwam in Hortense's nabij
[20:]
heid, zij aaide
het even en zoo was het ijs tusschen de beide kinderen gebroken.
Philip was niet haatdragend, zijn opengekrabde hand deed hem trouwens
geen pijn meer. Hortense had nu geen pleizier om te plagen; haar opgewondenheid
van gisteravond was gezakt, en trouw hielp hij haar dennenappelen zoeken.
Zij had er nu reeds een heelen zak vol en had pleizier, er met de handen
door te rommelen.
"Waarom speelt Eveline nooit met ons?" vroeg Hortense, terwijl
Philip zijn hondje telkens liet apporteeren, nu eens zijn zakdoek, dan
weer zijn pet.
"Eveline moet Ma helpen!"
"Is het prettig een ma te hebben?" ging het meisje na een
poos vragend voort.
"Nu, of het, en dan zoo'n goeie, lieve ma als wij hebben!"
antwoordde de jongen met geestdrift.
"Krijg je nooit knorren?"
"Jawel zeker, als ik het verdien!"
"En nooit slaag?"
"Slaag
"
Met onbeschrijfelijke minachting haalde hij de schouders op. "Welk
fatsoenlijk kind krijgt er nu slaag!"
"Ikke wel."
"Van je grootma?"
"Als je blieft! Nu niet, maar vroeger! Nu loop ik altijd weg en
dan kan zij mij niet krijgen en valt als zij te hard loopt."
Zij lachte glunder bij die herinnering.
"Dan ben je ook zeker stout?"
"Zoo, gewoon, maar grootma is geen ma, zie je."
"Maar zij is toch de ma van je oom."
"O, als oom niet altijd zoo gehoorzaam was en zoo stil, dan kreeg
hij er ook van."
[21:]
"Maar is zij
toch niet sterk genoeg voor, om te slaan."
"Jij bent ook sterk genoeg om het mij terug te doen, dus ik je
krab. Waarom doe je het dan niet?"
"Ondat je een meisje bent, en Ma zegt, dat het niet past voor een
jongen, meisjes te slaan, en dat het dan zoo beroerd voor ons, als jelui
zoo van alles durft doen."
"Nu, daarom zal oom het ook wel laten, zich te verdedigen."
"Ja, maar dat is toch iets anders."
Het denkbeeld, dat de kleine, kribbige grootmoeder dien, stakerigen
oom Bernard zou slaan, vond Hortense zoo grappig, dat zij luid schaterend
in het gras rolde.
"Maar 't is toch je echte mama niet, hé Philip!" flapte
ze er uit.
"Wat zeg je, mijn echte ma niet? Wie zegt dat?"
"Zij is je tweede ma, Oma heeft het gezegd."
"Wat heeft zij gezegd?"
"WeI dat er niet veel stiefmoeders zijn, die zoo goed zijn als
jou mama voor jou is."
"Heeft zij dat gezegd! Dat? Dan wil ik het haar vragen. Nu dadelijk!"
"Kom, wees verstandig, Philip! Wat zou dat nu, of zij je eerste
of je tweede ma is? Als ze maar lief tegen je doet. Ik wou dat ik een
tweede ma had in plaats van zoo'n grootmoeder."
Maar het licht, dat zijn moeder zoo vreesde, gloeide in Philips oogen;
hij voelde het aankomen, het bruiste de ooren, in de hersens.
"Hoe durft zij dat zeggen! Ik zal het haar afleeren," bromde
hij tusschen de tanden.
"Wil jij haar iets afieeren?" vroeg Hortense spot
[22:]
tend, "Dat
heeft niemand haar ooit kunnen doen, zelfs grootpa niet!"
"Fidel, Fidel!" riep Philip, maar Fidel was nergens te vinden.
"Hij is zeker bij ons in den tuin, de kippen achterna," zeide
Hortense, die zich slecht op haar gemak begon te voelen naast Philip.
Gisteravond tusschen haar vriendinnetjes had zij veel praats, nu voelde
zij, die anders nooit vreesachtig was, een onbestemden angst.
Zij holde weg, de richting in naar den tuin; Philip liep op en neer,
nu en dan Fidel roepend.
"Ik heb vroeger wel eens iets daarvan gehoord," zoo schemerde
het in zijn brein; "zou het waar zijn? Bedriegen zij mij dan? Ik
w i l het weten; als ik het ma vraag, zooals vroeger, dan hoor ik het
toch niet."
Hij liep Hortense na, door het kleine hekje, het bleekveld op; daar
heerschte intusschen groote verwarring. Fidel blafte links, rechts,
met opgestoken staart en krijgshaftig gestrekt kopje. De kippenren was
in wanhoop, de haan stond op de vensterbank zijn hoogste lied uit te
kraaien, éen kip was in de keuken gevlogen, een paar andere wipten
het hek over; de witte poes stond ver in de gang hooge rugjes te maken
en Hortense liep met uitgestrekte armen den kippen tegemoet om ze te
doen bedaren, maar bracht hen hierdoor nog meer van streek.
"Wat is het hier voor een helsch spektakel," zoo overstemde
de zware stem van grootmama kindergeschreeuw, honden gek of en hanengekraai.
Van wie is die leelijke hond? Is dat satanskind hier weer aan den gang?
Kan ik dan geen rustig oogenblik beleven, zoolang zij hier is. Ik zal
je naar een verbeterhuis sturen, stout nest! En die jongeheer, wat moet
die? Is dat jou hond, Van Asten?"
[23:]
Door even te fluiten
had Philip zijn hondje tot zich geroepen; toen nam hij het in zijn armen.
"Mevrouw," sprak hij met bevende stem, maar nog altijd zeer
beleefd, "ik moest u wat vragen."
"Mij wat vragen! Ik wou je ook wat vragen - of je, als het je belieft,
mijn huis niet zoo op stelten wilt -brengen. Je maakt die wilde bras
van een meid nog wilder, en als het nog eens gebeurt, zeg ik het je
stiefmoeder."
In één sprong stond de knaap vlak vóór haar.
"Is dat waar?" hijgde hij, "dat wou ik u juist vragen.
Is dat waar?"
"Wat, dat ik het je moeder zeggen zal? Wel wis en waarachtig, is
het waar. Denk je, dat ik bang ben voor tien van jou soort!"
"Neen - neen, -" hikte hij, "is zij mijn moeder niet,
mijn ma - ma!"
"Jou moeder is al lang dood, zij is de tweede vrouw van je pa,
en Eveline is je halfzuster. Je bent oud genoeg om het te weten, en
't is een schande, het voor je geheim te houden. God beware mij! Wat
scheelt den jongen!"
Het kwam over hem als een mist over de oogen, een dwarreling in zijn
hersens, zijn vingers wurgden de keel van Fidel en smeten toen het dier
van zich af, brullend wierp hij zich op mevrouw Chariêre, die
snel achteruitging en de glazendeur voor hem dichtgooide; toen sloeg
hij met de vuisten het glas in, dat rinkelend neerviel.
De meiden vlogen naar voren, Bernard kwam kijken en zag het kind bebloed,
huilend en trappelend vóór de deur staan met een kracht,
die men niet in hem zou vermoed hebben, rukte hij de deur open, nam
Philip bij de handen en trok hem mede naar de keuken.
[24:]
Op een afstand
stond Hortense het aan te zien, sidderend en bleek, de oogen vol tranen,
zoo klein, zoo bang.