XVIII.
Philip was het bosch ingegaan, het ravijn noemde men het, een bijna ondoordringbare verwarring van struiken, lianen en hooge boomen; in het midden een kleine vijver, met oud-Javaansche monumenten, over
[159:]
blijfselen van een
lusthuis van vroegere vorsten. Omdat het een der merkwaardigheden van
de plaats was, leidde een vrij breed voetpad door het geboomte er heen;
vroeger was dit de lievelingswandeling van Philip en Hortense geweest.
"Promenade des amoureux," noemde hij het en liep dit wegje
nooit anders dan naast haar, vast tegen hem aangedrukt; of zijn arm
onder den hare gestoken, zoo langzaam mogelijk, zijn oogen diep in de
hare verzonken.
Hij hield zooveel van dien vijver, omdat hij hem dien anderen vijver
in het Grondvoortsche bosch herinnerde, waar - je weet wel -
"Je ongeluk bezegeld werd," plaagde Hortense.
Maar nu liep, of liever, vloog hij dat pad af, zonder links of rechts
te zien, met een haast, die een bepaald doel moest hebben; hij scheen
zich geen tijd te gunnen tot nadenken. Soms drukte hij de handen tegen
de oogen, als wilde hij de zoete, liefelijke herinneringen, als kleurige
vlinders vroolijk om zijn hoofd rondfladderend, verre van zich verjagen.
Zijn gezicht scheen vermarmerd; zijn oogen staarden strak en stijf voor
zich uit, zijn handen waren koud als ijs; hij moest voort, voort, als
zaten vervolgers hem op de hielen.
Bij den vijver stond hij stil; het was er zoo vredig, zoo kalm, bijna
plechtig; een reusachtige waringin spreidde zijn ontzaglijke tent van
bladeren over het water. Bouddhistische beelden, verscholen onder de
struiken of het mos, lagen half verbrijzeld ter aarde; het water, klaar
als kristal, liet goudvisschen, die er in zwommen, duidelijk zichtbaar,
een gemetseld laag muurtje omgaf het van drie kanten. Aan de
[160:]
vier zijden hadden
de wortels van den waringin de steenen losgewoeld, maar de weelderige
plantengroei ontsnapte uit alle voegen en scheuren, in struiken, bloemen
en wilde ranken. De ondergaande zon, dringend door het loof, verguldde
het donkergroene water; de warmte van den dag verdween, weggedreven
als zij werd door een zacht, frisch koeltje.
Philip streek zich de verwarde haren van het voorhoofd. Die kalmte,
zoo geheel in strijd met den chaos van zijn opbruisende, wilde gedachten,
bracht hem tot bezinning; hij bleef even staan en zag rond. Dáár,
bij die steenen, hadden zij zoo gelachen en gestoeid, als groote kinderen
elkander nageloopen. Haar heldere, vroolijke lach klonk niet meer als
toen, daarom was het zoo stil; een beekje, in den vijver uitloopend
een vervallen steenen leiding en druppel bij druppel zijn water uitstortend,
verbrak alleen de stilte, het schenen hopelooze snikken - haar snikken,
nog steeds in zijn ooren tikkend, en zich onmeedoogend in zijn ziel
borend.
Alles leugen, alles geëindigd, zelfs die zoete waan. Geen uitkomst,
geen redding meer, dan die hij haar geven kon, en haastig zijn portefeuille
nemend, schreef hij op een blaadje papier eenige regels, maar toen verscheurde
hij het weer en zette niets neer dan deze woorden:
"Ik kan niet leven, zonder eens moordenaar te worden! Daarom alleen
- -"
Toen zag hij nog eens rond in die sympathieke natuur, thans in het zoete,
kalme avonduur al het geweldige, brutale afleggend om zich slechts in
liefelijkheid te hullen, alles even rustig, even gelukkig, beter harmonieerend
met een tooneel van liefde, leven en hoop dan met een van radeloosheid
en dood. O,
[161:]
't leven was zoo
mooi, zoo heerlijk geweest; maar wat deed het er toe, nu wachtte hem
toch niets meer! Hij twijfelde aan zich zelf, en zij twijfelde aan hem.
De schaduw van genegenheid, die haar tot nu toe had gesteund, was weg;
angst alleen vervulde haar voor hem; van liefde was nooit sprake geweest,
nooit.
Hij had alles gehoord, en hij wist het nu; niets bezielde hem meer dan
diep, diep medelijden met het arme schepsel, door hem geketend aan zijn
verloren leven.
Als de dagen zonnig, de hemel zuiver bleef, ja! dan kon zij zich wellicht
verbeelden, gelukkig te zijn door zijn liefde; maar nu was die liefde
haar een oorzaak geworden van schrik en huivering, meer niet!
Hij mocht haar die niet meer opdringen; zij moest vrij worden, vrij,
zoo spoedig het kon. Dat hij zich opofferde, was billijk, hij, alleen
bestemd zoo veel ellende om zich heen te verspreiden, verdiende den
dood beter dan de arme amokmaker, door wettige reden tot razernij en
moord opgehitst.
Wat was hij anders in zijn blinde, niets ontziende drift? Had hij zijn
kind niet vermoord en bijna ook zijn vrouw? En zij beschuldigde hem
niet eens, die lieve, arme Hortense! Zij nam alles op zich. Kon zij
het helpen dat zij niet van hem hield? Hoe kon iemand van hem houden?
Ja, zijn moeder en Eveline, - en eensklaps vervulde hem een onweerstaanbaar
heimwee naar beider overdreven goedheid en liefde; wat konden zij hem
liefkoozen, vleien, streelen! Ondankbaar, dat hij 't soms lastig en
bijna belachelijk vond.
Neen! niet aan haar denken, dat maakte hem weer wak, laf, en hij haalde
zijn revolver voor den dag.
[162:]
Een klein, aardig
ding; het blonk in den laatsten zonnestraal, die eensklaps wegstierf
en het dal halfduister liet. Hij moest zich haasten, een oogenblik nog;
even zijn gedachten uitdenken - men zeide wel dat zelfmoordenaars altijd
krankzinnig waren, maar hij had nu toch zijn volle verstand, hij wist
wat hij deed, dat hij ging sterven, om zich zelf te straffen en zijn
vrouw de vrijheid terug te geven, haar te bewaren voor nog groot er
schande. Hij herinnerde zich nu alles zoo goed van jongs af: zijn jeugd,
waaruit alle schaduwen verdreven waren door de goedheid en zelfopoffering
zijner tweede moeder, zijn studiejaren, verduisterd door zijn ellendig
gebrek, zijn moedeloosheid en melancholie, genezen door Hortense, maar
de Hortense van vroeger, de overmoedige, flinke, vroolijke meid, niet
de gebroken vrouw van thans.
Geen bijzonderheid zoo klein, of zij leefde weer op in zijn herinnering.
Maar pijnlijk of zoet, elke gedachte brandde en scheurde zijn ziel,
die hij voelde als één open wond. Droeg hij dan het geneesmiddel
niet in zijn hand?
Even het opheffen, er op drukken, en dan was 't gedaan! Hij hield den
vinger reeds op den haan, maar daar zag hij iets langs zijn hand, dat
een witte streep trok over het wapen; hij streek het ongeduldig weg.
Het was een stuk spinrag; groote spinnen hingen hier rustig hun webben
op, zeker als zij waren door niets gestoord te worden, een der draden
verdwaalde langs hem, die straks door zijn schot insecten en vogels
wild zou doen opschrikken.
"Het lijkt een herfstdraad!" dacht Philip onwillekeurig, om
zich te overtuigen dat al zijn denkbeelden nog zuiver en onverzwakt
waren. En als leidde die draad hem door het doolhof van zijn verwarde
[163:]
ziel, daar opende
zich voor hem een andere gedachtenwereld. Neen! hij was niet in het
volle bezit zijner vermogens geweest, een sluier trok weg. Wat hij tot
nu toe zag uit zijn verleden, uit zijn jeugd, het was slechts de uiterlijke
schijn der dingen. Zijn innigste herinneringen en gevoelens uit dien
tijd waren als omneveld, en die geheimzinnige draad deed - hij wist
niet van waar of hoe gekomen - alles weer bij tooverslag verrijzen.
"Kind! Die herfstdraden zijn je moeders liefde, je moeders gebed.
Zij zullen je bewaren van het kwaad."
Hij hoorde het haar zeggen, die moeder, wier eenige zwakheid was haar
al te groote, overdreven liefde voor hem.
Maar wilde hij dan nu kwaad doen? Was dat kwaad? Zich zelf rechten,
het onrecht tegen zijn vrouw goedmaken, zijn eigen lijden doen vergeten?
De revolver zakte neer: wie was hij, om dat te beslissen? Wat wist hij
er van? Die op hoogen toon verzekerden dat met zoo'n schot alles eindigde,
lijden en geluk, zonde en straf, van waar haalden zij hun wijsheid?
Hun persoonlijk gevoelen, hun eigen vaste overtuiging deed niets af
tot het feit. De besten, de edelsten van alle tijden hadden gehoopt
op of gevreesd voor hetgeen na dit leven volgde en mocht hij hen veroordeelen?
Waarom? Wist hij 't beter? Als er zoovelen in dit leven slechts een
voorbereiding zagen voor het eigenlijke, het ware leven, welke gronden
had hij dan om anders te denken? O ja, de boeken, door hem gelezen,
de redeneeringen, door hem gehoord, zij waren geschreven en gehouden
door menschen, even onwetend als hij; anderen hadden het tegenovergestelde
geleerd, daaraan geluk en leven opgeofferd.
Waarom konden die niet recht hebben? Geen twee
[164:]
dingen konden immers
tegelijk waar zijn? Hamlet twijfelde als hij en noemde zichzelf een
lafaard, maar een lafaard door het geweten was geworden. Als dat ten
minste lafheid was en niet juist moed, de verantwoordelijkheid te blijven
dragen van zijn daden en ze niet af te werpen als een te zwaar geworden
last.
Het "To be or not to be" had nog dezelfde beteekenis, als:
toen Hamlet het zich zelf afvroeg bij den ingang van het groote onbekende.
De menschen hadden de grenzen van hun weten verre uitgebreid na Shakespeare,
maar aan gene zijde gaapte nog steeds het geheimzinnige, de wereld,
waaruit nooit iemand was teruggekeerd.
Duisternis omgaf hem van alle kanten, en hij stond nog met zijn revolver
in de hand, te philosopheeren in plaats van te handelen, en alles om
een draadje spinrag, een herfstdraad in dit land van eeuwigen zomer.
Maar als zijn moeder gelijk had, zijn moeder, die hem jaren en jaren
geleden met dien geheimzinnigen draad, door de engelen gesponnen, aan
haar hart had geketend? Als de daad, welke hij stond te verrichten,
niets beduidde dan laffe vlucht in het onbekende, het verschrikkelijke,
het onherstelbare; als het woord waarheid bevatte:
"Heer! Ik dank U, dat Gij deze dingen verborgen hebt voor de wijzen
en geopenbaard aan de kleinen?"
Als zijn moeder in haar vast geloof wijzer was dan zijn vrienden, die
nu zeker lachen zouden, hem ziende met de revolver in de hand, die hij
niet durfde aftrekken, uit vrees, omdat hij geloofde als oude vrouwen
en domme meisjes?
"En als ik blijf leven, wat dan? Zult Gij mij dan helpen, o God!
om mijzelf te overwinnen - en - en haar nog eenig geluk te geven?"
[165:]
Daar dacht hij
plotseling aan zijn laatsten aanval van woede tegen de oorzaak van al
hun ellende tegen haar, die eens mevrouw Charière was geweest.
Wat had hem toen belet zich op dat schepsel te werpen, haar te dooden?
Was 't weer een herfstdraad, gesponnen door de liefde en het gebed zijner
moeder?
Zijn oogen werden vochtig; hij viel op een der steenen neer, het wapen
rolde in het gras.
"Help mij, God! Help mij!" steeg het op uit het diepste zijner
ziel, "als kind heb ik Uw hulp gevraagd, maar later niet meer.
Men heeft mij gezegd dat Gij er niet waart of niet helpen kondet. Maar
wat weet ik er van, ik ellendeling! Wie ben ik, om over U te oordeelen?"
De maan steeg op en verzilverde alles wat eerst goud scheen; een tropische
nacht met zijn kristalblauwe lucht, geheimzinnige tooversluier gespreid
tusschen hemel en aarde, het leven der wouden wakker roepend, den geur
der bloemen, het getjiip der insecten wekkend, zacht vriendelijk, als
glimlachten de engelen tegen de afgebeulde, verdorde aarde om haar een
weerglans van hun hemel te geven, een visioen van de schoonheid, door
hen aanschouwd.
Hortense zag het maanlicht vallen door het gordijn van klimopbladeren
langs haar raam, een sierlijk netwerk van strepen teekende zich af op
de goudgele matten op den vloer harer kamer, en zij viel in slaap, den
eersten, rustigen slaap na haar ziekte. Zij droomde zoo zoet van haar
kindje, dat op haar schoot lag, en van Philip, vroolijk lachend tegenover
henl zij zelf glimlachte en speelde mede.
Plotseling werd zij wakker. Had iemand haar gekust op het voorhoofd?
Zij streek er langs, nog half
[165:]
onbewust, maar toen sliep zij weer in; de stralen der maan vielen over haar en hulden haar in hun blauwzilveren gloed.