[148:] XVII.
Hortense dobberde
lang tegen den stroom, die haar mee wilde voeren naar den dood; haar
gezond, sterk gestel streed tegen den schok, die haar innerlijken gemoedstoestand
geheel had verward en nam langzaam weer de overhand.
Maar ziekelijke angst bleef haar vervullen tegenover Philip. Als een
rustelooze geest zwierf hij door het huis en den tuin; hij hervatte
zijn werk, maar verstrooid, als afwezend; het liefst had hij onophoudelijk
de wacht gehouden voor haar bed, het oogenblik afwachtend dat zij hem
met een blik van verzoening, een handdruk van vergeving zou gelukkig
maken.
Kwam hij echter binnen, hoe behoedzaam ook, dan trilde haar lichaam;
zij verborg schokkend haar gezicht in de kussens en herste!de zich eerst
als hij heengegaan was. Eerst gaf men haar zwakte de schuld, maar toen
zij langzamerhand sterker werd, begreep de dokter dat er een dieper
liggende oorzaak moest zijn, die haar zulk een afkeer inboezemde van
haar man, en hij wist niet hoe Philip steeds van haar bed af te houden.
Eens, terwijl zij rustig was ingeslapen, ging Philip zachtjes bij het
boveneinde van haar bed zitten; haar wangen waren nu normaal bleek,
niet meer door de koorts hoogrood gekleurd; haar dik haar hing in een
zware vlecht over haar schouder, en haar borst ging zacht, maar regelmatig,
onder de fijne met kant versierde kabaja op en neer.
"Mijn engel! mijn engel!" zuchtte Philip, "hoe heb ik
het je kunnen aandoen?"
In een hoek der kamer zag hij 't wiegje, onder de
[149:]
fijne gele en witte
gordijnen, 't wiegje, nu doelloos en overbodig geworden; hij moest zich
op de lippen bijten om niet in snikken uit te barsten, bij de gedache
aan hun zoontje, hun lief kind, door zijn schuld
O, als zij maar
beter werd en hem vergaf! Wat zou hij haar voortaan op de handen dragen,
duizendmaal meer nog dan vroeger; hij dorstte naar een woord van vergiffenis;
de vreeselijkste straf, was dat niet haar angst, haar beven voor hem,
wiens alles zij was, zijn Hortense!
Als zij wakker werd en weer schrikte!
't Duurde nog menig oogenblik dat Hortense bleef slapen, maar zijn oog
rustte als magnetisch onafgewend op haar; zij werd er onrustig van.
Haar fijn zenuwgestel voelde den blik; droomerig opende zij half de
oogen onder haar lange zijden wimpers.
Nu kon Philip zich niet langer bedwingen; zacht raakte haar haren met
de lippen aan.
"Hortense!"
't Klonk zacht als een zucht, dringend als een bede om redding. Maar
zij schokte als door de aanraking van vuur; verward keek zij rond en
greep angstig de lakens vast.
"Help, help! Niet doen! O, mijn kindje!" gilde zij.
"Hortense," snikte hij, "ken je mij niet meer? Wil je
mij niet vergeven? Ik ben zoo'n redeloos dier geweest! Maar nu weet
ik alles!"
"Ga weg! Ga weg! Ik kan je niet zien, ik ben zoo bang." En
zij kromp in elkander, de handen voor de oogen, zoo ver mogelijk van
hem vluchtend.
De inlandsche christenvrouw, die haar oppaste, een bedaard, net mensch,
kwam binnen.
"Toewan moet heengaan," zeide zij energiek, "njonja is
nog zoo bang, dat komt van de zwakte."
[150:]
Philip stond op
en ging heen, met wanhoop in het hart; voor de deur bleef hij luisteren.
Hij hoorde Hortense angstig snikken en beven, en nu werd het hem duidelijk,
zij was krankzinnig; zijn flinke, geestige vrouw, gekrenkt van hersens
door hem! Hij moest zekerheid hebben
Onmiddellijk ging hij naar den dokter en deed hem een oprecht verhaal
van alles wat voorgevallen was, te beginnen met zijn eigen kwaal, die
nu weer zulke betreurenswaardige gevolgen had gehad.
"Dokter," eindigde hij, "zou 't waar zijn? Is zij krankzinnig?"
"Op andere punten volstrekt niet. Dan is zij zelfs bijzonder helder,
maar wordt uw naam genoemd, dan overvalt haar een angst en ontroering,
die ik eerst onverklaarbaar vond. Nu echter begrijp ik haar zielstoestand
beter; haar ziel is nog geheel onder den indruk van dien schrik; haar
lichaam is te zwak om dien te boven te komen. Wordt zij sterker, dan
overwint zij misschien door haar wil dit angstgevoel. Maar wij moeten
niets overhaasten. Hoe minder zij u ziet, hoe beter!"
Hiermede kon Philip naar huis gaan. Sterker werd Hortense wel, maar
in haar gemoedstoestand kwam geen verandering. Integendeel zij werd
schuwer, nog schrikachtiger scheen het. Hoorde zij des morgens de bendy
van Philip wegrijden, dan scheen zij op te leven, vroeg naar couranten
en boeken en las zoolang het haar niet vermoeide.
Zij liet de kokkin aan haar bed komen en bestelde het eten; naderde
de tijd van zijn thuiskomen, dan begon zij weer onrustig te worden,
luisterde naar het rollen der wielen en werd doodsbleek als zij het
heel in de verte hoorde.
[151:]
Als machteloos
leunde zij dan achterover, de handen in elkander gedrukt, nu en dan
sidderend en krampachtig zich op de lippen bijtend. In spanning wachtte
zij of zij zijn voetstappen hoorde en of deze zich richtten naar haar
kamerdeur; dit was altijd Philip's eerste werk, binnenkomen durfde hij
niet meer.
Eerst als hij zich weer langzaam verwijderde, ademde zij ruimer en kwam
eenige kleur terug op haar wangen, maar de ondervonden emotie zette
haar toch weder eenige uren achteruit.
Die angst was er ook oorzaak van, dat Hortense niet met haar gewone
energie streed tegen haar zwakte en gevoel van ziekelijkheid. Eerst
scheen het of zij zich van haar onnatuurlijken toestand niet bewust
was; later begon zij het te begrijpen en lag uren lang wakker, na te
denken.
"Ik kan het niet helpen," snikte zij dan, "maar ik ben
zoo bang voor hem."
Eens schreef hij haar een briefje... vol hartelijke betuigingen van
liefde en smeekingen om vergiffenis.
Hortense las het en begon toen wanhopend te schreien, met niet te bedwingen
tranen.
"O God! Wat mankeert me toch? Ik ken me zelf niet meer!"
"Zal ik mijnheer roepen?" vroeg de verpleegster.
"O neen, neen! Ik kan niet!"
Zij voelde zich inwendig geknakt, uitwendig bitter zwak, te zwak om
iets te koesteren - liefde, haat, wrok, verdriet, alleen angst. Was
zij bedroefd omdat haar kindje dood was? Vervulde haar boosheid jegens
haar man, de oorzaak van alles, of nieuwsgierigheid om te weten, wat
er werd van haar moeder? Zij wist het niet; het eenige wat zij wist,
was haar verbazing over zich zelf, het bewustzijn dat zij zich zoo angstig
en
[152:]
mat voelde, zoo
heel anders dan zij haar leven lang zich zelf had gekend, zonder belangstelling
voor iets; 't eenige, wat zij duidelijk onderscheiden kon, dat was,
die onoverkomelijke schrik voor haar man.
"Ik moet het overwinnen, ik moet!" zoo sprak zij zich zelf
telkens toe, maar dan voelde zij zich te onmachtig en gaf zich weer
over aan haar moedelooze lijdzaamheid.
Philip van zijn kant leed nog veel meer, daar hij zich zijn verdriet
bewust was en onophoudelijk alle aandoeningen doorliep van smart, wroeging,
spanning, wanhoop. Ook zijn kracht was verlamd, hij smachtte naar vergeving,
naar verzoening; hij lag als een hond voor haar kamerdeur te waken,
een antwoord afwachtend op zijn brief, doch er kwam niets.
"Ik weet het niet. Laat hem wachten!"
Wachten, terwijl zijn ziel verkwijnde, zijn geest verdoofde, door die
eindelooze onzekerheid; hij kon niet slapen, niet eten, uren lang wandelde
hij door de dessahs [dorpen], herhaalde malen nam hij een bad om zijn
brandend hoofd te verkoelen. Zijn werk kon hij niet verrichten; het
ging machinaal, verward. Zijn chefs hadden medelijden met zijn omstandigheden,
maar toch waarschuwden zij hem, vriendelijk zich wat te kalmeeren. Het
gevaar bij zijn vrouw was immers geweken, waarom bleef hij dan zoo onrustig?
Het verdriet over zijn kind, ja, maar daarvoor was hij toch een man,
dat kon hij verzetten; bovendien zij waren beiden nog zoo jong.
Toen werd er gefluisterd, dat mevrouw Van Asten wel lichamelijk, maar
niet geestelijk vooruitging, dat de dokters zelfs vreesden, dat zij
voorgoed in haar geest
[153:]
vermogens was gekrenkt;
en de dames die geen van allen haar lijden mochten, zeiden dat de trots
haar in 't hoofd was geslagen. Zij hadden het altijd wel van haar gedacht,
en toen kwam er een praatje van een geheimzinnigen rit, dien zij gedaan
had, juist daags vóór de uitbarsting, daar was haar man
achtergekomen, men kon niet weten; er moest een reden zijn, waarom Van
Asten zoo raar deed en op alle vragen aangaande zijn vrouw antwoordde:
"Heel best! Uitstekend!"
Maar hij trad nooit in eenige bijzonderheid, en ook de dokter zei steeds
onveranderlijk, dat het vooruitging, maar verder kon men uit hem ook
niets krijgen; er werd niemand bij haar toegelaten.
"Als zij zich maar verzetten wilde!" sprak de arts tot Philip,
"als zij nu maar probeeren wou in haar gewone doen te komen, als
iemand 't haar eens zeggen kon."
Juist kwam dien middag de eenige met wie Hortense gaarne omging, mevrouw
Siegbrand, naar haar informeeren. Philip ging haar tegemoet.
"Mevrouw, ik kom uw hulp vragen. Kan u Hortense nu niet overhalen,
mij te zien of haar verzoeken mij iets te zeggen! Ik houd 't niet langer
vol, al verdien ik het ook."
Hij zag er bleek en bestorven uit, een geest gelijk; mevrouw Siegbrand
had erg met hem te doen.
"Ik zal haar zeggen hoe u er onder lijdt!" sprak zij eenvoudig.
"Ja, maar voorzichtig, zonder dat het haar aandoet."
Bij Hortense gekomen, vond mevrouw Siegbrand haar tot haar verwondering
opgestaan; zij zat op een laag stoeltje voor de kast, een koffer naast
zich,
[154:]
waarin zij alle
kleertjes van den kleine netjes neerlegde; toen er aan de deur werd
getikt, had zij verschrikt opgekeken, en die schrik lag haar nog in
de oogen, toen mevrouw Siegbrand binnenkwam.
Zij zag er bleek, mager en zwak uit in haar donkeren peignoir, de oogen
diep inliggend en zwart omkringd, het haar in een kondê [wrong]
opgestoken en glad weggetrokken van het voorhoofd.
"Maar, kind!" zeide de dame binnenkomend, "hoe kun je
nu zoo iets gaan doen, nu reeds!"
"'t Moet toch eens gedaan worden, hoe spoediger hoe beter,"
antwoordde zij dof, en legde de fijne, door haar zelf met zooveel zorg
gemaakte hemdjes één voor één in den koffer,
'"Maar je bent nog zoo zwak."
"Als ik blijf liggen, word ik hoe langer hoe zwakker! Ik moet iets
doen, dan word ik langzamerhand weer gewoon misschien?"
"Maar, Hortense-lief, 't is zeker heel goed dat je je wat verzet,
doch ik denk, dat van alles wat je doen kunt, dit nog het minste haast
heeft en het meest opwindend voor je is, Baboe kon het desnoods doen."
"Baboe komt er niet aan."
"Maar er is iets anders wat je bepaald goed zou doen, wat je misschien
heelemaal zou opwekken en versterken. Je begrijpt wat ik bedoel?"
Hortense liet moedeloos haar handen zakken op haar schoot en staarde
naar buiten, zonder iets te zien.
"Kom, Hortense, wees nu verstandig! Hij is je man en hij houdt
zoo dol, zoo innig veel van je; je moest eens zien hoe hij er uitziet,
hij heeft nergens rust, hij kan niet werken, niet slapen. Als 't langer
[155:]
duurt dan ben ik
zoo bang - dat - dat -:- hij er onder bezwijkt."
Groote tranen parelden in haar oogen, maar zij verroerde zich niet.
"Ben je dus nog boos op hem?"
Zij schudde het hoofd.
"Boos mag je niet blijven, want, wat er gebeurd moge zijn, hij
is zwaar gestraft, hij is je man, en 't is je plicht er overheen te
stappen en hem te vergeven."
"Och, Marie! Laat mij met rust! Je moet het niet dwingen. Ik kan
niet, ik kan niet!"
En zij begon weer erbarmelijk te snikken.
"Denk je niet dat ik diep ongelukkig ben mij zóó
te voelen en niet anders? 't Is het ergste van alles. Laat hij niet
denken dat ik boos ben, ik weet het zelf 't best. Ik wist vooruit dat
hij zoo'n kwaal had; ik heb er om gelachen, toen hij me vroeg of ik
niet bang was hem te trouwen. Ik stapte er luchtig overheen, maar nu
eindelijk begrijp ik alles wat ik op mij nam!"
Zij verborg haar gelaat in de handen en beefde telkens met kleine schokken
over haar geheele lichaam.
"Kom, Hortense-lief! wees bedaard! Wind je zoo niet op. Ik zou
het stil aan de natuur overlaten en wachten tot je vanzelf behoefte
voelt, Philip te zien."
Zij schudde energiek het hoofd.
"Dat gebeurt nooit meer," snikte zij wanhopig.
"Maar, kind! Hoe kun je zoo praten? Dat is zonde! Hij is je man,
je bent hem trouw en liefde verplicht in alle omstandigheden. Dat heb
je hem belooft! voor God en de menschen."
Hortense snikte steeds hartstochtelijker.
"Dat is 't juist, dat is 't juist!" hoorde mevrouw Siegbrand
haar telkens zeggen.
[156:]
Zij knielde bij
haar neer en liet troostend haar,hoofd rusten tegen haar schouder, zij
vroeg niet meer en wachtte wat Hortense zou bekennen.
"Ik heb 't niemand gezegd, en misschien wist ik het zelf niet,
maar ik had hem niet genoeg lief. Ik heb Philip getrouwd, omdat ik getrouwd
wou zijn en - om - om - o 't is zoo leelijk, om zijn moeder en zuster
te tarten, omdat ik mijzelf beloofd had, aan zijn arm terug te komen
in 't huis waaruit zij mij eens hebben weggejaagd; maar zóó
van hem houden als zijn mama en Evelientje, neen, dat deed ik niet,
en nu straft God er mij voor."
"Maar, kind! Dat is zelfplagerij! Je was toch van plan Philip gelukkig
te maken, een goede vrouw voor hem te zijn?"
"Ja, maar in de eerste plaats wou ik zelf gelukkig zijn. Baby was
alles voor mij geworden, dat voelde ik. Ik heb nooit van iemand gehouden
- ik kon het niet. Maar op Baby was ik reeds dol, al liet ik het niet
merken. En nu heeft God mij Baby ontnomen door mijn schuld!"
Zij richtte zich op en streek haar tranen weg.
"'t Is heelemaal mijn schuld. Als ik van hem hield, zooals ik moest,
dan zou ik geen geheimen voor hem hebben gehad; ik had hem alles verteld,
ik had hem niet zoo opgehitst tot - hij mij zei - wat ik niet vergeten
kan en wat de dood van Baby werd." "Maar, lieve meid, als
je vindt dat je schuld hebt, dan moet je het herstellen en je best doen
je armen man weer zoo gelukkig te maken als je kunt."
Zij haalde weer moedeloos de schouders op.
"Ik kan 't niet. Ik heb zoo'n medelijden met hem, maar dat is niet
genoeg! Nu weet ik het pas; ik heb er, toen ik ziek was, altijd door
naar gezocht, maar
[157:]
nu is 't mij opeens
duidelijk. Zoolang er niets was, zoolang wij gelukkig en kalm waren,
voelde ik mijn schuld niet, maar nu weet ik het, en nu is 't te laat!"
"En wat wil je nu doen?"
"Breng mij naar bed, Marie, ik kan niet meer!"
Mevrouw Siegbrand liet haar nederliggen en maakte haar hoofd en slapen.
nat met eau de cologne; de oogen gesloten, afgetobd en ontzenuwd lag
zij een poos.
"Ik ben een ongelukkig, ellendig schepsel, dat voel ik nu,"
fluisterde zij na een paar oogenblikkën, "ik had zoo gehoopt
te zullen sterven. Dat was 't beste geweest voor hem en mij, maar Onze
Lieve Heer wilde dat niet. Ik heb hem bedrogen, en nu hij weet
"
"Kind! praat toch niet zooveel!"
"Neen, ik moet het zeggen, toevallig dat je er bij bent, anders
had ik het tot mij zelf gezegd. Vertel hem daarvan wat je goedvindt,
en laat hij oordeelen wat het beste is. Gelukkig dat het kindje dood
is. Misschien zat er ook de aard in van zijn - zijn - grootmoeder! Ik
wist niet wie zij was, men heeft me nooit het rechte verteld, wel dat
zij hertrouwd was, maar zoo - -"
Mevrouw Siegbrand begreep nu niets meer, want zij wist niets van de
verschijning der geheimzinnige moeder. Zij bleef, zonder iets te zeggen,
Hortense's hoofd met natte doeken bevochtigen; na een oogenblik sprak
zij weer, als volgde zij den draad harer gedachten:
"Mijn ongeduld is oorzaak van alles. Ik wou het leven kennen, ik
was er al te nieuwsgierig naar, ik dacht dat het zoo mooi, zoo heerlijk
was, en 't is leelijk!"
"Hortense," zeide mevrouw Siegbrand, die een vrome,
[158:]
ernstige vrouw
was, "wij allen hebben onzen strijd en ons kruis, de eene meer,
de andere minder. Wanneer wij dat kruis gewillig aannemen, dan steunt
het ons; wij mogen er niet voor wegvluchten. Nu ben je nog zwak en ziek,
maar als je God om kracht bidt, dan zal je sterkte ontvangen om je plicht
te doen. Maar daarvoor moet je willen in de eerste plaats."
Hortense antwoordde niet.
"Wil je nu stil rusten?"
Zij knikte van ja.
"Verlang je nog iets?"
"Bid voor mij, Marie, je bent zoo goed en braaf. Maar ik kan het
niet. Ik ben te slecht geweest en nu te zwak!"
"Juist daarom zal God je helpen, als je Hem er om vraagt. Ik zal
je man zeggen, dat je je best zult doen verstandig te worden. Is dat
goed? Maar ik zeg er bij, dat hij niets moet overhaasten."
Nu bleef zij onbeweeglijk en verried door geen teeken of zij de vraag
had verstaan.
Mevrouw Siegbrand ging naar buiten en zocht Philip, maar vond hem nergens;
ook de bedienden wisten niet waar hij was gebleven.