XV.
Je moet de groeten
van je vrouwtje hebben."
"Mijn vrouw?"
Philip keek zijn vriend, of liever zijn kennis, een
[128:]
beetje verbaasd
aan, toen deze hem in de andere fabriek der maatschappij tegenkwam.
Philip was er des morgens vroeg heen gereden en had er eenige uren hard
gewerkt, toen Mohr, de administrateur der fabriek, hem die boodschap
bracht.
"Is u dan in Tjakra-Tjikri geweest?" vroeg Philip.
"Neen, ik kom van Batoe-Toelies; je weet, daar woon ik."
"Maar mijn vrouw zal daar toch niet zijn?"
"Zoo! Ik kwam ze tegen in je victoria; complimenten heeft zij mij
wel niet verzocht, maar ik begreep toch wel dat zij het bedoelde."
"Dank je wel!" antwoordde Philip kortaf en keerde zich om.
Hij begreep er niets van, niets! Waarom zou Hortense uit rijden zijn
gegaan? In Batoe-Toelies woonden geen Europeanen dan alleen de administrateur,
met wiens vrouw zij zoogoed als geen kennis hield. Hij had gaarne meer
bijzonderheden gevraagd, maar vond het beneden zich, een zijner chefs
uit te vragen naar het doen en laten zijner vrouw.
Hortense kon volgens zijn berekening nog geen uur na zijn vertrek uitgereden
zijn; dan moest zij toch reeds plan er toe hebben gehad, terwijl hij
nog in huis was; zij lag toen te bed, en op zijn verzoek nog wat te
blijven rusten, had zij beloofd het te doen.
Zij was toch zoo vreemd dezer dagen, zoo stil soms en dan weer zoo gewild
vroolijk, als zij er niet om dacht zoo verstrooid, zoo geheel anders,
terwijl zij gewoonlijk zoo kalm, zelfbewust en beredeneerd was.
"Wat scheelt haar toch! Er is iets, maar wat in s hemels naam,
wat?"
De dag scheen hem eindeloos toe. Er was iets aan de machines niet in
orde, en hij had al zijn verstand
[131:]
noodig om de fout
te zoeken en te verhelpen. Zijn zenuwen werden er door geprikkeld, hij
had moeite met zijn gedachten er bij te blijven en voelde een zware
drukking op zijn hoofd, het gevolg van het met geweld concentreeren
zijner hersens op één punt.
Eindelijk tegen vier uur was de zaak in orde, en zijn chef verzocht
hem dien avond te blijven eten en dan later naar huis te gaan, maar
Philip verontschuldigde zich om zijn hoofdpijn, liet zijn paard zadelen
en reed zoo gauw hij kon terug naar huis.
In de verte zag hij Hortense reeds in de galerij zitten, zacht schommelend
in een der lichte Amerikaansche wipstoeltjes; zij leunde met gesloten
oogen achterover en wuifde zich zacht met haar Chineeschen waaier frischheid
toe; eerst toen zij het getrappel van Philip's paard op het grind rondom
het bloemperk hoorde, opende zij haar oogen en zag hem verschrikt aan.
"Hé, ben je al thuis! Ik wachtte je nog niet," zeide
zij, toen hij de trappen der galerij opkwam.
Zij zag krijtwit, met zwarte kringen om de oogen; de witte mousselinen
peignoir, rijk met kant gegarneerd, maakte haar nog bleeker.
"'t Schijnt dat je altijd schrikt als ik thuiskom," klonk
het scherp, "en ik dacht je nogal te verrassen."
"Zeker verras je mij," antwoordde zij met een poging om te
schertsen.
"Maar niet aangenaam, hé?"
"Philip, wat scheelt je?" vroeg zij ongerust. Haar beide handen
klemden zich vast aan de leuning van haar stoel, en haar oogen rustten
even op zijn somber, dreigend gezicht en dwaalden toen over hem heen.
[132:]
Hij bleef voor
haar staan; zijn stem, kort, heesch, bevelend, had den klank, die Hortense
den schrik om het hart sloeg, daar die haar aan zijn uitbarstingen herinnerde.
"Je moet mij alles zeggen, ik wil het weten: wat deedt je in Batoe-Toelies?"
't Flitste in haar geest.
"Dus zat Mohr in dien dos à-dos; hij heeft mij herkend en
het Philip gezegd. Ik moet mij flink houden en niet bang zijn."
En zich tot kalmte dwingend, antwoordde zij:
"Als je het mij zoo wantrouwend vraagt, antwoord ik je niet."
"Hortense! Ik bid je, zeg 't mij spoedig, je weet niet hoe 't weer
in mij kookt!"
"Dat is geen reden om aan je grillen toe te geven."
Zij onderdrukte met kracht het beven harer stem.
"Je hebt beloofd mij niet te zullen wantrouwen, laat mij dus begaan!"
"Maar ik heb toch het recht te weten, waar mijn vrouw naar toe
gaat?"
"Ben je bang dat ik op verkeerde plaatsen kom?"
"Ik ben niet bang, ik wil maar weten..."
"Je zult niets weten, zoolang je op dien toon mij ondervraagt."
"Hortense!"
Zij stond op en wilde de galerij uitgaan.
"Waar ga je heen?"
Hij hield haar bij den arm vast, zoo stevig dat zij den knel voelde,
maar zij rukte zich weer los.
"Ik ga naar binnen; als je spektakel wilt maken, dan moet het maar
zooveel mogelijk binnenshuis gebeuren."
"Wil je het mij eerst zeggen?"
[131:]
Hortense sidderde
inwendig; haar hart scheen stil te staan, maar haar groote energie deed
haar koel en meesteres blijven over al haar bewegingen.
Alles in haar scheen ijs te worden; als Philip zijn verstand had gehad,
zou hij geschrikt zijn van haar akelig starende, uitpuilende oogen en
ingetrokken lippen; zij was bang, zoo bang als zij nooit te voren was
geweest, maar zij wilde 't hem tot geen prijs toonen.
"Hortense, ik bid je!" smeekte hij.
Hij voelde het komen, den vreeselijken aanval, die hem 't bloed naar
de oogen joeg, die zijn hersens deed borrelen en zelfs in de toppen
zijner vingers en haren scheen te trillen; zijn bezinning smolt weg
tot aan het laatste restje, het ontzettende gevoel van machteloosheid
en verlies van heerschappij over zijn zintuigen, maar al te goed bekend,
kwam over hem.
Hij voelde als bij instinct, dat nog een enkele losse band hem weerhield;
was die verbroken, dan stond er niets meer tusschen hem en de razernij,
dan zou hij zelf hulpeloos en reddeloos, moeten toezien, hoe zijn hartstocht
als een ontbreideld paard hem voortzweepte, wie weet waarheen!
"Zeg het mij!" herhaalde hij, "zeg het mij!"
De woorden ontsnapten hem als werktuiglijk. Wanneer Hortense nu alles
had gezegd, wie weet of hij 't nog verstaan had?
Maar zij zeide niets, haar lippen waren als verlamd.
"Hoe heb ik daar ooit mee kunnen spotten, hoe dat licht kunnen
achten?" vloog haar door den geest, en nog vóór zij
het wist, zakte zij ineen.
Hij schudde haar heen en weer.
"Zeg het, zeg het!" siste hij, zonder meer te weten
[134:]
wat hij wilde of
wat hij verlangde, "zeggen, zeggen!"
"Philip!" barstte zij uit. Haar gemaakte geestkracht en moed
vielen van haar af als een te los omgeslagen kleed. "Philip! laat
me los! O God! ik ben zoo bang. Ik zal het je vertellen, maar laat mij
los, ik kan zoo niet!"
Maar het was te laat, de stroom van zijn ontketende drift, door niets
gestuit en weerhouden, stortte zich uit.
"Wat zal hij me doen? Wat!"
Maar hij liet haar plotseling los, juist toen zij dacht dat hij haar
zou mishandelen, misschien dooden.
"Wat kan men wachten van de dochter van zoo een die..." zeide
hij eensklaps met ijzige kilheid.
Hortense waggelde achteruit, als had hij haar tegen het voorhoofd geslagen;
zij verborg het gelaat in de handen en trachtte op te staan, maar toen
viel zijachterover met het hoofd tegen de scherpe punt der marmeren
tafel.
Kreunend van pijn, kwam zij nu eerst tot besef van haar toestand; zij
zag Philip daar staan, nog steeds in de macht zijner kwaal, de vuisten
gebald, de wenkbrauwen gefronst, den mond vol schuim, worstelend met
zich zelf, om de inwendige woede niet te koelen aan iets buiten hem.
Zij hief zich met moeite op en wierp hem een blik toe, vol onbeschrijfelijke
verachting, in 't voorbijgaan hem toeroepend:
"Had mij maar doodgeslagen!"
Toen wankelde zij naar haar kamer en deed de deur op slot. Philip stond
even onbeweeglijk en viel toen op een der stoelen verpletterd neer.
De bedienden snelden toe en riepen Horlense; zij
[135:]
kwam nader, bleek,
bestorven, maar zich zelf weer geheel meester.
Zij beval dat men Philip te bed zou leggen, legde natte compressen aan
en liet intusschen den dokter halen.
Toen deze kwam, stond zij hem kalm te woord, en op zijn vraag of mijnheer
Van Asten meer van zulke toevallen had, antwoordde zij, er nog geen
te hebben bijgewoond.
Een oogenblik later bedacht zij zich. Ja toch! Eens, toen zij beiden
nog kinderen waren, maar toen had zijn drift zich heel anders geopenbaard.
Van die buien had zij meermalen gehoord en ze zelf gezien, ook eens.
Men zei dat het een kwaal was, en hij dacht het zelf ook; maar zij had
het nooit willen gelooven.
"En de aanleiding?"
"Hij vroeg me iets, en ik verkoos het niet dadelijk te zeggen;
later had hij 't toch niet meer verstaan."
Haar onnatuurlijke kalmte deed den dokter haar den raad geven, zich
zelf te ontzien.
"U is vreeselijk overspannen, mevrouw!"
"O neen, dokter! Ik ben zoo bedaard! Wat dunkt u van mijn man?
Is 't ernstig?"
"Ik maak mij ongeruster over u, dan over hem. Een zenuwtoeval;
hij schijnt zich met geweld beheerscht te hebben. Was er iets dat hem
misschien stuitte in de uitbarsting van zijn drift?"
Hortense bracht de hand aan haar achterhoofd, en nu bemerkte de dokter
ook, dat het bloed door haar dik zwart haar siepelde en zelfs reeds
op haar wit mousselinen kleed drupte.
"Ik ben gevallen tegen de marmeren tafel, geloof ik," zei
de zij en werd nog bleeker; "ik werd bang voor hem en wilde achteruitwijken.
Hij is van morgen
[136:]
vroeg weggereden
in de warmte - het was vandaag erg warm - heeft altijd tusschen de machines
gezeten, dat bracht hem van streek. Denkt u ook niet?"
De dokter dacht het zijne.
"Zij is misschien coquet, hij jaloersch. We staan hier voor de
gevolgen van een huiselijk drama, dat nog lang niet is afgespeeld,"
ging hem door het hoofd.
"Als ik u een raad mag geven, mevrouw, gaat u dan naar een andere
kamer. Straks zal ik uw wond uitwasschen en verbinden."
Zij lachte droog en hard.
"O, dokter! 't Is de moeite niet. Mij mankeert niets. Ik ben voorbeeldig
gezond, maar ik wil hem eerst wakker zien."
"Misschien is 't beter, mevrouw, dat hij u niet dadelijk opmerkt
bij zijn ontwaken."
"O, als u dat denkt!"
En zij ging de kamer uit, zonder iets meer te zeggen.
Philip kwam langzamerhand bij; zijn eerste woord, was:
"Hortense, zeg je het mij?"
En zijn oogen, toen met meer bewustzijn rondgaande, herkenden den dokter.
"Wat doet u hier? Ben ik dan ziek?" vroeg hij.
"O God! Ik begrijp 't; 't is alweer zoo ver, ellendeling, die ik
ben!"
En zich tegen den muur keerend, barstte hij in wanhopige snikken uit.
De dokter vond het een goed teeken dat hij tot een uitbarsting kwam
en maakte een kalmeerend drankje voor hem klaar.
"Hortense, Hortense!" riep hij met het kinderachtig verlangen,
om getroost en gekoesterd te worden, dat hem steeds overviel na zulk
een scène.
[137:]
"Mevrouw rust
wat uit," zei de dokter, "zij heeft ook kalmte en rust noodig.
U maakt elkaar ziek."
"Als ik haar even zien mag!"
Hij sprong op en wilde gaan; de dokter dwong hem weer tot liggen.
"Neen, mijnheer Van Asten, daar komt voorloopig niets van, drinkt
u. maar eens even, dan zal ik uw vrouw vertellen hoe 't met u is."
De drank was zeker bedwelmend, want Philip verviel in een toestand van
slaperigheid en verdooving, en toen de arts bij Hortense kwam, zat zij
op den divan met starende oogen en om de knieën geslagen handen.
Het bloed druppelde steeds voort, zonder dat zij het scheen te merken.
"Mijnheer is heel goed wakker geworden," zei de hij toen,
"en heeft naar u gevraagd. Ik heb hem een slaapdrankje gegeven;
als dat uitgewerkt heeft en u ook wat tot kalmte gekomen, dan zie ik
er geen bezwaar in dat u bij hem komt!"
Zij wilde opstaan, maar kon niet, het was of er lood in haar aderen
stroomde.
"Dokter!" zeide zij rillend, "ik kan niet, ik kan niet."
"Mevrouw, u moet naar bed, spoedig!"
Gedwee liet zij zich behandelen; alleen vroeg zij papier en potlood
en krabbelde er met bevende vingers op:
"Ik ging naar Batoe-Toelies om ééne die... te bezoeken."
"Geef dat aan toewan als hij wakker is," zeide ze tot haar
baboe, en toen kon zij niet meer. Zij liet zich gedwee afdrijven met
den stroom; dien nacht werd zij zwaar ziek, en den volgenden morgen
werd haar kind geboren.
[138:]
Het was een jongen,
en hij kwam dood ter wereld.