XIV.
Niets werd hun onthouden;
in de verte schitterde als een liefelijke ster de hoop op ouderschap.
Philip's zorg voor Hortense kende geen grenzen meer; zij lachte om zijn
eigen kinderachtige, maar toch zoo aandoenlijke voorzorgen en nam ze
aan als iets erg prettigs en koesterends, hoewel zij ze evengoed kon
ontberen; zij was een punctueel, handig vrouwtje, maar aanhaligheid
kende zij niet, en Philip verwachtte die ook niet van haar.
Wanneer zij in een bui van bijzondere liefheid hem eens door de haren
streek, en, hem op het voorhoofd kussend, zeide: "Malle jongen!
Weet je nu waarvoor
[123:]
Onze Lieve Heer
meisjes heeft gemaakt!" voelde hij zich alle koningen te rijk.
Juist haar beredeneerde bedaardheid, haar trotsch heenglijden over allerlei
kleinigheden, haar onverzettelijkheid van wil, alleen door haar helder
verstand belet in koppigheid te ontaarden, gaven Philip, die zich meer
door zijn indrukken liet leiden, zulk een rustig, kalm gevoel; soms
alleen kwam het in hem op, maar slechts vluchtig en voorbijgaande, dat
hij Hortense wel gaarne iets minder krachtig had gewenscht. Het was
of door hun samenleven haar verstand steeds koeler en helderder werd
en haar hart en verbeelding geheel op den achtergrond drongen.
Zeker, zij had gelijk, het was beter zóó; maar toch, toch...
iets meer gloed, iets meer warmte, iets meer blijdschap, ten minste
zichtbare, - in het heerlijke vooruitzicht, - zou hem, meende hij, goeddoen.
Dan dacht hij aan zijn moeder en Eveline, die hun liefde op de punt
hunner tong droegen, die onophoudelijk bezig waren hem te vertroetelen
en te overladen met hun liefkoozingen, zoodat zij er soms lastig door
werden.
Maakte bij Hortense een opmerking daarover, dan lachte zij en antwoordde:
"Ik kan er niets aan doen. Je wist het vooruit, dat ik geen Evelientje
was. Ik ben nu eenmaal zóó en niet anders."
In gezelschappen was het oordeel over Hortense ook zeer verschillend,
evenals destijds in Grondvoort.
De dames noemden haar een stijf, pedant nest, de heeren een snoes; zij
was gewoon ronduit haar meening te zeggen, geen deel te nemen aan de
chronique, welke de gesprekken der dames bijna geheel vervulde, nooit
over haar eigen zaken, haar huishou
[124:]
den of bedienden
te spreken. In Tjakra Tjikri was geen dame, die andere onderwerpen kon
behandelen dan de onderwijzersvrouwen bij haar sloot Hortense zich onwillekeurig
aan; met haar had zij altijd wat te praten, tot ergernis der andere
deftige dames van de plaats.
Ook bij de heeren miste Hortense nooit discours; zij bewoog zich vrij
en ongedwongen met hen, maar toch wist zij hen altijd op zekeren afstand
te houden, zoodat zelfs Evelientje's argusoogen niets op haar zouden
aan te merken hebben gehad; haar schoonheid deed het overige: de antipathie
vermeerderen der dames, de sympathie der heeren.
Philip bewonderde haar houding in gezelschap, zooals alles in haar;
wel wilde hij haar iets toeschietelijker hebben tegenover de dames van
zijn chef, maar dan klonk weer haar onverzettelijk:
"Hoor, Flip, ik zal die lui beleefd behandelen - als zij niet waren,
wie zij zijn, keek ik ze niet aan - maar vriendinnen met hen worden.
dat kan ik niet en wil ik niet. Je bent veel te knap; dan dat je vrouw
tot zulke middelen haar toevlucht zou moeten nemen om je carrière
te bezorgen, en je doet onverbeterlijk je plicht. Mankeerde er iets
aan, dan zou ik moeten bijspringen, nu is het niet noodig."
In de frissche berglucht ontwikkelde zich haar krachtige, heerlijke
gezondheid; nog geen kwartier was zij ziek geweest in al deze maanden.
Zij was er trotsch op, alles te blijven doen alsof er niets bijzonders
met haar gebeuren zou, te lachen en te schertsen over Philip's zorg
en over de aanbevelingen der dames van veel ondervinding.
"Hé, Hortense!" zeide hij op een avond, toen hij den
geheelen dag was weg geweest.
[125:]
"Is er iets?"
vroeg zij, opziende van haar kopje, waarin zij al vijf minuten onafgebroken
zat te roeren.
"Ik riep je al twee keer, en je hoort niet!"
"Och," zij glimlachte verstrooid, "ik ben wat absent!"
"Is erer iets gebeurd?" vroeg hij bezorgd.
"Wel neen! Hoe kom je er aan?"
"De lui je boos gemaakt?"
"Kom, daar doen wij niet aan. Maar wat wou je eigenlijk?"
"Niets! Je maar eens zien en hooren!"
Hortense zette haar kopje neer en wond zich op om druk en vroolijk te
praten. Philip zag niet scherp genoeg om te merken dat zij moeite had,
vroolijk en gewoon te doen.
"Moet je morgen weer uit?" vroeg zij schijnbaar onverschillig.
"Neen, overmorgen. Vindt je het naar?"
"Ja, natuurlijk vind ik het gezelliger als je thuis blijft, maar
ik zal er wel om eten en slapen ook, hoor!"
"Er is toch nog geen vrees?"
"Wees toch wijzer!"
Dien nacht sliep zij niet, maar lag uren lang te staren door de fijne
wit gazen gordijnen naar de muggen, dansend rondom het nachtlicht.
"Wijfje, slaap je niet?" vroeg Philip, even wakker wordend.
"Nu niet, nu je mij roept!" antwoordde zij en sloot de oogen.
Zij had haar stem slaperig doen klinken, maar de slaap was en bleef
verre van haar oogleden, zij die niet wist wat slapeloosheid was, voor
het eerst van haar leven voelde zij de gedachten zich als 't ware in
haar ziel boren, zoodat
[126:]
alles inwendig
gevoelig en wond scheen te worden; de kleine pendule sloeg half en heel,
telkens vielen de slagen als druppels gloeiend lood op haar hersens.
Daar buiten sisten de krekels. Hield dat geluid nooit op? 't Was of
zij hier binnen werden beantwoord door een veel luidere echo. Haar oogen
brandden, zij had lust te schreien, maar de tranen kwamen niet gemakkelijk
bij haar op; en dan ook zou Philip het hooren!
Wat sliep die rustig! Zooeven had zijn hand de hare gezocht, en nu hield
hij die stevig vast. Zou hij niet voelen hoe zij beurtelings koud en
warm werd?
"Als ik 't hem zei?" vroeg zij zich af. "Neen, neen,
ik moet het alleen uitvechten! Niemand mag het weten, zelfs hij niet.
O, 't is zoo vernederend. Als hij iets zei of maar dacht, ik vergaf
't hem nooit."
Zij sloeg de handen voor 't gezicht; allerlei oude, half vergeten beelden
kwamen tot haar, zij waren alle vergroot, verleelijkt; 't leken wel
monsters, zoo breed en hoog, de klauwen uitgespreid, de nagels dreigend.
Zij smolten alle samen, zij groeiden ineen, zij werden donker, o zoo
donker, en bonsden tegen haar op. Zij onderscheidde niets meer, zij
zakte langzaam weg, diep, heel diep, en al die zwarte akeligheid zonk
met haar mede, bedekte, overstelpte, drukte haar. Zij wilde zich verweren,
maar kon niet, hun gewicht verpletterde haar, haar man en wat zij wachtte.
Zij moest hen allen redden, zij moest, en met een bovenmenschelijke
poging werkte zij zich los en sprong met een schreeuw overeind.
"Kind, wat scheelt je?" riep Philip, verschrikt waker wordend,
"droom je?"
"Ja, Flip! Ja, o God, zoo naar! zoo naar!"
Zij huiverde over al haar leden; hij vloog het bed
[127:]
uit en haalde water;
haar tanden klapperden tegen het glas, hijgend hikte zij:
"'t Is niets, 't niets, 't is al over!"
"Ik zal je bromkali geven!"
"Neen, dank je!"
"Moet ik den dokter niet halen? Ja, moet ik?"
"O Philip! Wees toch bedaard! Maak zoo'n drukte niet! Een zware
droom, anders niet! Ga maar weer liggen, 't Is gedaan! Hoe kalmer ik
blijf, hoe beter!"
Hij kuste haar teeder.
"Mijn engel! Miijn lieveling! Mijn klein moedertje!"
Zij glimlachte flauwtjes met gesloten oogen.
"Philip!" Zij trok hem weer naar zich toe, haar lippen openden
zich.
"Is er iets, mijn schat? Heb je mij iets te zeggen?"
"Neen, neen;" zij liet hem weer los; "niets! Gekheid!
Ik begin kuren te krijgen op mijn ouden dag! Och, je sliep zoo lekker!
Kom, vergeet die malligheid maar!"
Hortense worstelde den nacht door; zij wilde liever wakker blijven dan
zoo te droomen; eerst in den morgen viel zij in slaap, maar telkens
schrikte zij weer.
Phliip stond zachtjes op, kleedde zich en ging voorzichtig de kamer
uit, de baboe op het hart drukkend, mevrouw stil te laten liggen.
De zon was reeds hoog aan den hemel, toen Hortense wakker werd en eerst
na een poos tot bezinning kwam. Toen werd haar alles duidelijk, zij
begon een voor een al haar herinneringen van den vorigen dag op te halen.
Nu zag zij alles helder en duidelijk voor zich; met samengeperste lippen
en starende oogen, de handen achter haar hoofd gedrukt, overlegde zij.
"Ik kan het hem niet zeggen, ik moet het alleen
[126:]
dragen, alleen,
heel alleen! O, als zij 't hier wisten! Wat een vreugde! Maar nu deelt
hij er ten minste niet in, 't komt op mij alleen neer!"
Zij stond op, ging naar de badkamer, kleedde zich en dronk haar koffie;
anders ging zij naar haar bloemen en huiselijk werk, nu gaf zij op lusteloozen
toon haar keukenmeid de bevelen voor het middageten en keerde naar haar
kamer terug. Zij opende haar kast en nam er een kistje uit, dat haar
bijouterieën bevatte en waaronder een beurfsje lag; zij haalde
het er uit, er waren eenige gouden tientjes in. Geld, dat zij had bespaard
of vroeger gekregen; zij telde het drie-, viermaal over. Het werd er
niet meer door.
Daar hoorde zij door de binnengalerij een stap naderen. Het kistje vloog
dicht en verdween weer in de kast. Juist had ze die gesloten, toen Philip
binnenkwam.
"Mijn liefje! Ik kon 't niet uithouden, ik verlangde zoo naar je,
ik moest weten hoe jij je nu voelde."
"Och, wat ben je toch kinderachtig, man!" zeide zij en trachtte
haar verwarring onder boosheid te verbergen. "Wat moeten de menschen
toch zeggen van je! Alleen omdat zijn vrouw slecht geslapen heeft, loopt
hij van de fabriek weg."
"Vindt je het dan niet aardig, dat ik zoo'n zorg voor je heb?"
vroeg hij lachend; :"voor wie zal ik het beter hebben dan voor
mijn eenig wijfje, mijn lief vrouwtje? Wat deedt je hier? Je prullen
nazien?"
"Ach, je moet ook alles weten!" - En zij ging met hem de kamer
uit.
"Ik kan niet in mijn kast reddelen, of je wilt er alles van weten!"
"Dus je bent weer heel frisch?"
[127:]
"Natuurlijk."
"Zie je, anders was ik even bij den dokter aangegaan.
"Ja, dat zal helpen, die oude sok."
"Maar je ziet er toch niet zoo stralend uit als anders."
"Philip! houd nu op. Je wordt vervelend; je moest eens een andere
vrouw hebben, bijv. mevrouw Van Geelen, die heeft wel andere kuren.
Je bent verwend!"
"Dat komt omdat jij zoo'n engel van een schepsel bent. Zoo'n vrouwtje
onder duizend!"
"Nu ja, dat weten we al lang! Schei nu uit! Je weet, op die overdrevenheden
ben ik niet gesteld."
Haar gezicht drukte nog meer dan haar woorden dien tegenzin uit. Philip
voelde dat zij niet zoo was als anders, kuste haar tot afscheid, zonder
bij haar eenigen weerklank te vinden op zijn hartelijkheid en ging heen.
"Neen, zij is niet normaal, raaar ook geen wonder," dacht
hij vol hooge wijsheid, "dat is altijd zoo!"
Hortense zuchtte van verlichting toen hij weg was.
"Vriendelijk ben ik niet. Maar ik kan er niets aan doen! 't Spijt
me voor den goeien jongen!" zei de zij tot zich zelf. "Bah!
Dat geheimzinnig doen!"