[91:] X.
Mevrouw Van Asten
was zeer bezorgd dien morgen; de onderwijzeres had haar beklag gedaan,
haar kamer was naast die van mijnheer Philip, en hij had haar den geheelen
nacht uit den slaap gehouden. Hij scheen niet naar bed geweest te zijn,
zij had hem hooren loopen, schuifelen, zij meende zelfs kermen. Dikwijls
was zij op het punt geweest, op te staan, aan zijn deur te kloppen en
te vragen of hij ongesteld was, maar zij had het minder gepast gevonden.
Nu werd zij door vreeselijke hoofdpijn geplaagd, haar zenuwen, die in
de laatste dagen zooveel kalmer geworden waren, lieten haar geen rust.
Mevrouw Van Asten was verschrikt naar de slaapkamer van haar zoon geloopen,
en daar zij de deur niet gesloten vond, liep zij naar binnen en verschrikte
hevig, toen zij merkte dat hij er niet meer was.
"Eveline, Eveline! Wat hangt ons boven het hoofd!" riep zij
jammerend uit, "hij is zeker met een dollen kop het huis uitgeloopen.
O God! Wie weet wat hij gedaan heeft, waartoe jij hem hebt gedreven
met dat scherpe gezegde!"
Eveline werd zoo bleek als zij kon en kreeg het toen op de zenuwen,
begon hardop te lachen en tegelijk te huilen; de logés kwamen
hooren wat er was, en ieder zeide er het zijne van.
"Mevrouwtjelief," troostte de makelaar, "denk toch niet
altijd het ergste, uw zoon zal niet hebben kunnen slapen en is een wandelingetje
gaan maken."
"Wel zeker," meende juffrouw Dammers, "men springt zoo
maar niet in het water of schiet zich voor den kop."
[92:]
"Nu ja, ik
heb 't van nacht dadelijk gedacht, dat er iets niet in orde was met
hem," verzekerde de onderwijzeres, "hij bleef geen oogenblikje
stil, Zijn zenuwen waren hem stellig de baas, ik ken dat wel, en nu
zal hij tegen den morgen er wel uitgeloopen zijn van benauwdheid, Op
zoo'n oogenblik weet men niet wat men doet."
"Het beste is bij zulke gevallen altijd het ergste te denken, dan
valt het mee," zoo beurde juffrouw Dammers op haar eigenaardige
manier de angstige vrouwen op.
Het natuurlijke gevolg van al deze troostredenen was, dat Eveline nog
harder begon te lachen en te huilen en mevrouw Van Asten, handenwringend,
een beeld der wanhoop gelijk, door het huis liep.
"O, hij heeft zich te kort gedaan, ik weet het zeker, Ik heb het
al lang zien aankomen. Die kalmte van de laatste dagen was alleen om
ons op een dwaalspoor te brengen."
"Hij zal zich wel tweemaal bedenken, mevrouw, voordat hij tot zoo'n
maatregel overgaat! Maar wil u dat ik eens naar het bosch ga, om te
zien of hij misschien ergens in slaap is gevallen?"
"Als je belieft, mijnheer! Als je belieft! O, als u hem terugbrengt
"
Nellie en Anna hadden het druk om Eveline vlugzout te laten ruiken en
met eau de Cologne te wasschen, en ondertusschen fluisterde de onderwijzeres
beider moeder toe:
"'t Is belachelijk zoo'n afgoderij met dien bengel van een jongen.
Zij is een beste vrouw, maar zij moest meer aan haar logés denken.
Is dit nu hier een stille omgeving, om mijn zenuwen te kalmeeren?"
Midden onder al die ontroeringen, terwijl de makelaar
[93:]
den hoed opzette
om den vermisten zoon buiten te gaan zoeken, kwam de oorzaak van alle
ellende het tuinhek binnen, met gloeiende wangen, schitterende oogen,
als een jonge koning, die zich pas een nieuwe kroon heeft veroverd.
"Hé, jongmensch! Wat heb je ons een angst laten uitstaan!"
"lk?" vroeg Philip onnoozel. "Hoe zoo?"
"Wel, je moeder en zuster verbeeldden zich, dat je ergens in het
bosch lag met doorboorde hersens!"
"O neen!" hij lachte vroolijk, "integendeel!"
"Nu, ik heb 't ook gezegd, maar je weet wel die zenuwjuffrouw heeft
het vuurtje aangestookt; het schijnt dat je van nacht wat burengerucht
hebt gemaakt, en zooals het altijd met vrouwen gaat, is je moeder dadelijk
het ergste gaan denken, en je zuster zit daar te grienen. Kom, ga ze
maar gauw troosten."
"'t Is de moeite waard! Ik kon van nacht niet slapen en toen heb
ik een flinke wandeling gemaakt, en dat heeft me opgefrischt."
"Wel zeker, dat zei ik ook, maar als dat vrouwvolk zich eens iets
in 't hoofd heeft gezet, praat er dan maar tegen!"
Hij ging naar de huiskamer, waar mevrouw hem onstuimig omhelsde en Eveline
een paar laatste snikken liet tot afscheid van het zenuwtoeval, en toen
verwijderden zich de logés uit bescheidenheid om de familie vrij
te laten in haar ontboezemingen.
"Wat heb je ons doen schrikken, beste jongen!" zuchtte mevrouw,
hem over de haren strijkend.
"Philip," fluisterde Eveline haast onhoorbaar, "wil je
mij vergeven - van gisteravond?"
"Kom, windt jelui je toch niet zoo op! Wat moeten
[94:]
de menschen daarvan
denken! Geef mij maar een kop thee, ik heb honger en dorst gekregen."
"Hij wilde de dames eerst tot kalmte laten komen, vóór
hij het groote nieuws vertelde, dat zijn lippen verschroeide; beiden
bedienden hem om strijd; mevrouw maakte zijn boterhammetjes, Eveline
schonk de thee.
"Heb je een prettige wandeling gemaakt, vent?" vroeg de moeder,
hem liefdevol toeknikkend.
"Heerlijk! 't Was zoo goddelijk in het bosch."
Eveline keek hem wantrouwend aan; hij had den klimoptak door twee knoopsgaten
van zijn morgenjasje gestoken, en deze slingerde nu op zijn sportblouse
daaronder.
't Was of Eveline Hortense ruiken kon; met een soort van zesden zin
ontdekte zij altijd wanneer haar broer met dat gehate nest in aanraking
was geweest; zij had een vraag op de lippen, maar hield zich in, omdat
zij wel begreep, dat wat zij ook zeide, een scherpen klank zou hebben.
Toen hij gedaan had, nam Philip met die vleiende manier, welke hem zoo
aantrekkelijk maakte, de handen van mama en zuster in de zijne, keek
haar beiden diep in de oogen en vroeg toen:
"Belooft u mij deel te nemen in mijn geluk?"
"Je geluk!"
Philip voelde Eveline's handjes koud worden in de zijne.
"Wat bedoel je?"
"U dacht, dat ik den dood ging zoeken, en ik heb juist het leven,
het geluk gevonden."
"Hortense!"
't Klonk haast als een smarLkreet, en hij wist niet, of 't van zijn
moeder of van Eveline kwam.
"Ja, Hortense en ik hebben ons geëngageerd. Ik
[95:]
telegrapheer nog
vandaag naar Indië, dat ik die betrekking aanneem."
En toen was het een gesnik en een geklaag en een gejammer van:
"Ach, nu zie ik, dat ik je eigen moeder niet ben Die had je wel
om raad gevraagd! Buiten die om zou je niet gehandeld hebben. Je weet
wat wij van de Charières denken."
En Eveline, in de volle verontwaardiging van haar jaloersche, vrouwelijke
antipathieën:
"Nu heeft zij haar doel bereikt. Zij trouwt je, alleen omdat zij
bang is dat geen ander komt, en om ons te tergen."
"Eveline!"
Met schrik zagen beiden nu de vreeselijke voorteekenen, die den naderenden
storm bij Philip voorspelden.
Het zwellen van de aderen op zijn voorhoofd, het trillen van zijn neusvleugels,
het krijtwit worden van zijn lippen. De angst sloeg hun om het hart;
schuw week Eveline achteruit, en mevrouw nam zijn hoofd in haar handen
en suste hem of hij een ondeugend kind was.
"Lieveling, lieveling! Houd je bedaard, ik bid je!"
Ruw stiet hij haar van zich af, en de gloeiende oogen op zijn zusje
gevestigd, zeide hij heesch:
"Schandelijk, zóó te spreken over het meisje van
je broer. Gister heb je mij al dol gemaakt en nu weer! Schaam je, zóó
te spreken over iemand, die je niet eens kent. Wij zijn het eens, en
je liefdelooze praatjes zullen geen verandering brengen in onze verhouding.
Als je dus niet wilt, dat ik met je breek, dan ontvang je haar vriendelijk,
hoor je, of anders ga ik de deur uit en kom er niet meer in."
"Ja, Philip, ja!" snikte Eveline, "maar word toch niet
dadelijk zoo kwaad!"
[96:]
"Je zoudt
iemand razend maken."
Hij voelde, dat de bui afdreef, en was blijde en trotsch dat hij haar
meester gebleven was.
"Geeft elkaar een zoen," bad mevrouw. "O, dat zoo'n vreemde
komen moet om verwijdering te brengen tusschen mijn kinderen."
"Maar dat hoeft volstrekt niet," en zijn stem klonk alleen
nog wat ongeduldig. "Hortense is een engel, en als u haar maar
beter kent en kennen wilt, zult u 't ook erkennen. Maar dat malle vooroordeel
bederft alles, dat hechten aan dwaze uiterlijkheden; zij is niet als
ieder ander en dat is haar eenige fout."
"Ach, Philip! Heb je het nu wel goed overdacht, wat je gaat doen?"
"Ik hoef het niet te overdenken, wij zijn dol op elkaar, en dat
is genoeg."
Mevrouwen Eveline zagen elkander pijnlijk aan, met het gezicht van een
paar menschen, die het veel beter weten, maar hun goed inzicht ten offer
brengen aan de overmacht.
"'t Is goed, beste jongen, 't is goed!" zuchtte de moeder,
"je moet het zelf weten, wij zullen je meisje ontvangen, natuurlijk,"
- haar stem stierf weg in een snik.
"Is het zoo hard, moeder?" vroeg Philip spottend.
"Ja, zeker is het hard, heel hard! Ik heb mijn heele leven mijn
best gedaan om je zoo gelukkig mogelijk te maken; geen offer is mij
daarvoor te groot geweest, en dat je, nu het de belangrijkste stap in
je leven geldt, geheel eigenmachtig handelt en mij voor een fait accompli
stelt, dat is zeker hard, heel hard."
"Maar, lieve ma! 't Heeft mij zelf verrast, ik was geëngageerd
voor ik 't zelf wist."
"In het bosch?"
[97:]
"Ja, bij den
grooten vijver, ik was erg verdrietig, en toen kwam zij - en - en -"
"Zij heeft je getroost, ja, zij kan meer dan wij."
"Zeker, het was een groote troost voor mij, die meende tot niets
meer goed te zijn, voor wien het zoo'n waag was te trouwen," hij
keek Eveline aan, "een meisje te vinden, die 't wel met mij aandurft."
Eveline zweeg hardnekkig, maar een stroom van woorden en verwijten,
bleef achter die stijf op elkaar gedrukte lipjes opgesloten.
"Dus dan ga je met haar naar Indië?" vroeg zijn moeder
weer op troosteloozen, klagenden toon.
"Ja, maar u zal er niet door lijden. Wij zullen zorgen, dat u en
Eveline een onbezorgd bestaan krijgt."
"O, dat is niet noodig. Wij kunnen werken, Eveline en ik, zoolang
wij maar gezond blijven; wij hebben het jaren gedaan en zullen het nog
wel langer doen. Je krijgt een huishouden en moogt het dus niet bezwaren
met de zorg voor een stiefmoeder en een stiefzuster."
Philip wilde weer uitvaren, maar hij bedacht zich gelukkig bijtijds;
hun overgroote liefde jegens hem maakte het hun zoo moeilijk zich neer
te leggen bij zijn besluit en hij begreep dat zijn geluk hem niet onrechtvaardig
mocht maken.
"U heeft zooveel voor mij opgeofferd," begon hij weer, "'t
is dus niet meer dan billijk, dat ik het u, zoo veel ik kan, teruggeef."
"Praat daar toch niet over! Je maakt mij nog verdrietiger."
Dien middag, tegen koffietijd, ging Philip naar de Charières;
hij wilde nu oom Bernard officieel de hand van zijn nichtje vragen,
en intusschen vertelde mevrouw op diep bedroefden toon aan de logés
het groote nieuws.
[98:]
"Wel, wel!"
zeide mijnheer, "dat is wat anders dan zich te kort te doen. Hij
heeft een goeien smaak, die zoon van u, en dat meisje ook, dat moet
ik zeggen. Een paar om den hoed voor af te nemen."
De dames keken echter heel zuinig; mevrouw Van Asten kreeg den schralen
troost mede, dat zij allen precies zoo over het engagement dachten als
zij, met uitzondering van de Amsterdamsche moeder, die druk bezig was
een kliekje van den ragout van den vorigen dag te genieten, en van de
suffe mevrouw, die tot groote verontwaardiging van haar juf een kopje
koffie over haar nieuwe japon morste, op het oogenblik, dat deze in
de drukte van het interessante gesprek niet naar haar keek.