[1:] I.
"Ik zou wel
willen weten, waarom er meisjes op de wereld zijn. Die akelige schepsels
zijn zoo valsch, zoo flauw
"
"Waarom speel je er ook mee, Philip, je zoekt ze toch altijd op."
"Ik zoek ze niet op, maar die kat van een Horry wil altijd met
ons spelen en dan bijt en krabt ze je en je kunt er toch niets aan doen."
"Ja, die meisjespan is vervelend. Bloedt je hand?"
"Nou, geen klein beetje. Valsch als zij speelt, en dan mag je nog
niets zeggen, of je heb de poppen aan het dansen. Maar ik bedank er
langer voor!"
"Heb je haar niet teruggeslagen?"
"Een meisje!"
Dit werd werd door den twaalfjarige met zulk een kostelijke minachting
en geringschatting gezegd, alsof hij zich meters ver boven zoo'n schepsel
van minderen rang verheven achtte.
"Daar staan ze nu te giegelen en te smoezen, ze wachten zeker,
dat wij langs komen, maar dat doe ik niet."
"Ben je bang voor ze?"
"Bang? Voor geen twintig! Mijn vingers jeuken om
[2:]
ze een ferm pak
te geven, maar dat gaat toch niet."
"Omdat ze meisjes zijn? Dat zou mijn zorg wezen. Dan moeten zij
mij maar niet tergen. Denken ze, dat zij alles tegen ons mogen probeeren,
alleen, omdat ze meisjes zijn?"
"O, dat verbeelden ze zich toch!"
"Dan moeten wij hun dat anders leeren."
Een sarrend geroep klonk achter de struiken; vier, vijf kleine meisjes,
de gezichten rood als boeien, de haren verward, gluurden door de takken
en wierpen steenen naar de jongens, telkens na elken worp schichtig
wegloopend,
"O, 't zijn zulke rakkers!" schreeuwde Philip en balde zijn
vuisten, "jelui denkt zeker dat je aardig bent, maar o je bent
zoo lam."
"Dat zeg je maar, omdat je niet durft."
Die deze woorden met een tergend strijken van twee vingers over elkander
begeleidde, was de aanvoerster der meisjesbende, iets donker als een
heidinnetje, een roode wollen muts schuin op den verwarden, gitzwarten
krullebol, oogen als gloeiende steenkolen in het smalle bruine gezichtje,
kleeren, veel te kort, waaruit armen en beenen met ongeëvenaarde
vlugheid rusteloos slingerden.
"Kom maar hier, als je durft, kom maar hier!" zoo riep zij
den jongens toe en deelde intusschen zachtjes haar bevelen aan de andere
meisjes uit.
"Och Han!" zei de Philip, "laat ze maar schreeuwen. Zij
zijn mij de moeite van het naloopen niet waard."
Henri, hoewel lang zoo forsch en opgeschoten niet als zijn vriendje,
had moeite zich kalm te houden, te meer toen de meisjes, geprikkeld
door hun onverschilligheid, luid begonnen te schelden.
"Lafaard!"
[3:]
"Melk baard!"
"Roodkop!"
"Phi -li - p - p- p!" en dat op allerlei toonaarden.
Philip streek langs zijn haren, en beet zich op de lippen.
"Ik kan het haast niet uithouden, Han, maar Eveline heeft mij gezegd,
dat juist de jongen, die een meisje slaat, een lafaard is, en ik weet,
als ik begin - dat het heel, heel erg zal zijn."
"Ik wou ze die praatjes afleeren."
"Och, met die Hortense is toch niets te beginnen, zoo'n oostersche
duivelin. Laat ons maar naar huis gaan."
"Doe dat niet, dan denken ze, dat wij voor haar wegloopen! En dat
is toch, te veel eer!"
"Maar ik houd het niet uit, als het langer duurt."
Zij versnelden den pas; de meisjes volgden hen door het kreupelbosch
aan den eenen kant van den weg, nog altijd even uitgelaten in het lachen
en sarren.
"Het zal hun wel vervelen, als wij ons stilhouden. Ik geloof toch
nog, dat 't het verstandigste is, Philip."
"Verstandig weet ik niet, maar 't hoort zoo. Nu gauw hierheen en
dan hard, hard van stal."
Zij sloegen een zijpad in, en daar de meisjes hen niet meer zagen, begonnen
zij zoo hard zij konden te vliegen; in de verte klonk nog haar geroep
en gesar.
De avond viel en eindelijk ging het groepje uiteen. Hortense, de kat,
de oostersche duivelin, of welke mooie namen haar niet zeer schitterende
reputatie haar bezorgd had, moest een stuk heide over, vóórdat
zij aan een huisje kwam, waarvan het lantaarnlicht boven de deur reeds
een groote vierkante ruit teekende op het kleine, keurig nette tuintje,
dat het van den weg scheidde.
[4:]
Even vóór
de deur stond het kind stil, streek met de hand over de dol waaiende
haren, en trok iets aan haar kleeren recht.
"Soeda! er is toch niets aan te bederven, die oude plunje,"
en zij lachte; "hoe gauwer die kapot is, hoe beter."
Zij rekte zich op haar teenen uit en trachtte in de kamer te zien; maar
de gordijnen hingen neer, het raam was zorgvuldig gesloten, en tusschen
het kind en het huis lag een breed voetpad van grint.
"Grootmoe is thuis, o wee!" en zij schudde zich als een natte
poedelhond; toen liep zij het huis om, eerst langs het ijzeren hekje,
toen dwars door een met struikgewas begroeid droog greppeltje, waarlangs
ijzerdraden tusschen palen gespannen een soort van afrastering vormden.
Op zekere plek was een der ijzerdraden afgebroken. Dit scheen een bekend
punt te zijn, want Hortense kroop tusschen de doornen, zonder er zich
om te bekommeren, dat er hier en daar een stuk van haar vel of van haar
kleeren aan bleef hangen, maakte zich heel klein, kronkelde zich tusschen
de ijzerdraden en stond toen eindelijk op het grasveldje achter het
huis. De deur der keuken stond open en zij wipte naar binnen.
"Hemel, Hortans, wat zie je er uit, kind!" riep de meid uit.
Zij waschte gauw onder de pomp hoofd en handen, maakte de weerbarstige
krullen kletsnat, zoodat zij glad om haar hoofd plakten, en met haar
van de druppels glinsterend gezichtje keek zij schaterlachend de meid,
een gulle boerendeern, aan.
Beiden gierden het nu uit; maar Hortense drukte de hand op haar lipjes.
"Stil de oude is binnen!"
[5:]
"Asjeblieft!
Zij heeft den heelen middag gebromd."
"Heeft ze naar mij gevraagd?"
"Wel tienmaal!"
"Nu Trees, dan moet ik haar wel gezelschap houden."
Weer een leelijk gezicht, dat de meid opnieuw in een schaterlach deed
uitbarsten. Hortense maakte een kast in de gang open, haalde daar een
slordig boek en een lei uit, liet de kast openstaan en, na even voor
de kamerdeur te hebben gewacht, ging zij kordaat naar binnen.
Het was een helder, meer solied dan elegant gemeubeld vertrek, de meubels
rond-gebogen, met rijk lofwerk, over de zittingen verschoten groen-gebloemd
trijp, massief glad-notenhouten buffet met marmeren blad, bonheur du
jour, stoelen, canapé, rijk bedekt met gehaakte kleedjes. In
het midden een tafel met kunstig gedraaiden poot, waarop het thêegoed
stond; in een fauteuil kaarsrecht een oude dame, tegenover haar een
man van onbestemde leeftijd met geelgrijs haar, perkamenten gezicht
en ouderwetsche huiskleeren, de courant lezend. Het schuifelen van de
breinaalden was het eenige geluid, dat men hoorde, en tusschen het tweetal
in dit intérieur van echte hollandsche, burgerlijke deftigheid
sloop het zwarte duivelinnetje binnen, de kleeren, het gezicht en de
haren nog half nat van het bad, de gelaatskleur door de vermenging van
water met stof, groezelig dof getint, nog donkerder dan anders.
Zij had zich het liefst onopgemerkt een hoekje van de tafel veroverd,
maar de in de kamer heerschende stilte was te groot, dan dat zij door
haar binnenkomen niet een groote stoornis bracht.
[6:]
Nauwelijks was
zij er, of beiden keken naar de deuren staarden haar aan.
"Groote gunst, waar is dat kind geweest!" riep de oude dame,
en zooals zij daar zat en opzag, beantwoordde zij volstrekt niet aan
het ideaal eener lieve, goede, hartelijke grootmama.
Haar kleur was opdrachtig, haar bandeaux verdacht donker en glad, glimmend;
de mond had, nu ten minste, een kwaadaardige uitdrukking, zich mededeelende
aan de onder borstelige wenkbrauwen schuilgaande oogen; de onderlip
hing diep op de kin en zag er uit alsof de veeren, welke haar in beweging
moesten brengen, door al te groote krachtsinspanning verlamd waren;
de neus boog energiek over de bovenlip.
"Waar kom je vandaan?" snauwde zij het kind toe.
De groote zwarte oogen staarden haar helder en brutaal aan.
"Van buiten."
"Ja, dat weet ik wel. 't Is veel te laat voor een fatsoenlijk meisje
om nog buiten te spelen. Ik heb Trees al uitgezonden om naar je te zoeken,
maar zij kon je niet vinden. Waar heb je gespeeld?"
"Daar!"
En zij wees met het hoofd naar de éen of andere richting.
"Daar! Is me dat een antwoord. Je praat niet met je kornuiten.
Waar is dat daar?"
"Bij den weg."
"Nu blijf ik even wijs. En met wie speelde je?"
"Met kinderen!"
"Met kinderen!" herhaalde de grootmoeder, rood van drift,
"het spreekt van zelf dat je niet met groote menschen speelde.
Wie waren die kinderen!"
"Jansje en Mietje."
[7:]
"Van den melkboer.
En natuurlijk die van den kapitein ook. Allemaal van dat rapaille. Was
Eveline er niet bij?"
Een straal van ondeugd flikkerde weer in haar oogen.
"Neen, wel Flip en Henri!"
"Jongens al weer! Je bent een echte jongensmeid; als ér
geen jongens bij zijn, dan heb je geen pret. Waarom speel, je niet met
Eveline?"
"Zij was er niet."
"Natuurlijk op straat, niet. Eveline speelt nooit met andere kinderen
op straat, maar ik heb je gezegd, dat je naar haar huis mocht gaan en
dan kun je zoet met haar spelen met de pop of keukentje."
Hortense trok een leelijk gezicht.
"Ik houd niet van zoet spelen en ik houd van geen poppen en ook
niet van Eveline."
"Omdat zij te bedaard is. Je bent een echte Javaansche boschduivel,
en omdat je zoo stout bent geweest, krijg je van avond geen thee!"
Zij trok de schouders op en ging naast den heer staan.
"Zal ik je helpen, Hortense?" vroeg hij op zachten, vriendelijken
toon.
"Dat zou wat moois zijn, haar helpen!" viel de zware, grove
stem der grootmoeder in; op die manier leert die luie meid het nooit.
't Is schande, al tien jaar en dan nog altijd op de vingers tellen.
Toen ik zoo oud was, kende ik al den regel van drieën, en waarlijk
zij maken het den kinderen tegenwoordig gemakkelijk genoeg met leeren.
Maar dat kind is dom, oliedom."
"Dat moet u niet zeggen, Mama," zeide haar zoon; "Hortense
heeft alleen maar geen hoofd voor cijfers. Dat kan ze niet helpen."
[8:]
"O ja, ik
zou haar maar verdedigen, dat mankeert er maar aan; het kind is een
nagel aan mijn doodkist. Goddank! dat de vacantie haast om is. Ik houd
het niet langer vol; kijk haar kleeren er eens uitzien! Leun niet met
de armen op het tafelkleed, je maakt het vuil."
"Mijn mouwen of het tafelkleed?" vroeg zij leuk.
"Het tafelkleed, smeerpoes! ook nu weer een winkelhaak in die mooie
jurk!"
Vol ergernis gingen de breipennen met verdubbelden ijver op en neer;
maar de scherpe oogen bleven onafgebroken op het meisje rusten, speurende
of er niets was, dat weer aanleiding kon geven tot nieuwe op- of aanmerkingen.
"Goddank! als het kind er is, hebben wij rust," zeiden de
meid en de werkster onder elkander, "dan heeft de ouwe iemand om
op te vitten, en die kan er tegen."
Hortense kon er werkelijk goed tegen; zij was nooit bepaald brutaal
tegen haar grootmama en toch prikkelde zij haar onophoudelijk juist
door haar bedaarde manier om knorren, aanmerkingen en straffen over
haar kant te laten gaan.
Zonder complimenten dronk zij uit het kopje thee van haar oom, vóórdat
grootmoeder het merkte.
"Is je kop thee al leeg, Bernard?" vroeg zij. Na een poos
reikte Bernard, die zijn nichtje een paar sommen uitlegde, zijn moeder
het kopje over.
"Ik begrijp niet dat het al op is. Ik heb je niet zien drinken
en je bent anders zoo langzaam."
"Zes, ik hou er vijf," telde Hortense, vlug met haar magere,
oostersche vingertjes op de tafel spelende, zonder naar iets anders
te luisteren.
"Ik wed, dat die kwaje meid het opgedronken heeft. Zeg, Hortense,
is dat waar?"
[9:]
"Wat, Oma?"
En argeloos werd het hoofdje opgericht en de kolenzwarte kijkers staarden
grootmoeder aan.
"Heb je oom zijn kopje uitgedronken?"
"Ja, Oma."
"En je mocht geen thee hebben voor straf. Hoe vind je zoo'n impertinentie,
Bernard?"
"Ik had zoo'n dorst," verklaarde het kind, altijd voortrekenend.
Bernard antwoordde niet; hij was een stil, bedaard mensch, niet sterk,
levenslang gedrukt onder de ijzeren hand zijner moeder, die eens zelfs
verwoestend in zijn levensgeluk had gegrepen.
In stilte bewonderde hij zijn nichtje, dat - al was het dan ook maar
lijdelijk - zich tegen die gevreesde moeder durfde verzetten. Hortense
was de dochter van zijn oudsten broeder, die 't ook niet met Mama had
kunnen vinden en toen naar Indië was getrokken.
Daar had hij zonder toestemming van Mama een vrouw getrouwd, van wie
men niet veel goeds wist; ten minste reeds bij zijn leven had bij het
kind naar Europa gezonden en aan Mama toevertrouwd. Na zijn dood had
hij verzocht in geen geval het kind aan de moeder over te laten. Dit
was nu drie jaar geleden; van die moeder had men niets meer gehoord.
Hortense was op een goedkoop pensionaat, al was zij pas tien jaar; zij
moest voor haar examen studeeren, zij bezat niet veel, wat moest er
anders van haar terechtkomen?
Daarbij schreef de vader: "Zij heeft een vaste hand noodig om haar
te leiden; ik ben bang voor den aard, die er in zit."
Dit werd niet aan doove ooren gezegd; mevrouw Charière had een
vaste, ja zelfs een harde hand, dit had haar goede man genoeg ondervonden;
haar zoons
[10:]
en haar dochters;
waarvan er twee als jonge meisje misschien onder den druk van die hand,
gestorven waren, niet minder.
Bernard Charière was leeraar in de wiskunde aan de Hoogere Burgerschool
van het stadje; van jongs af had zijn moeder besloten, dat hij een geleerde
zou worden; de jongen was vlug, veel vlugger dan Jacques, Hortense's
vader, en toch waren de Charières een knap volkje. Een dochter
had examen gedaan voor Middelbaar Onderwijs en had nu een betrekking
in het Noorden, een andere was apothekeres; geweest en nu apothekersvrouw,
een derde rijk getrouwd in Amsterdam. Al de Charières waren goed
terecht gekomen. Jacques alleen was een beetje de bonte hond geweest
van de familie, maar behalve dat huwelijk, waarvan niemand het rechte
wilde of kon zeggen, had hij het toch zoover gebracht in Indië,
dat zijn kind niemand tot last was en geen genadebrood behoefde te eten.
De renten van haar kapitaaltje waren even voldoende om haar pensionnaat
te betalen, - gelukkig voor haar! dacht Bernard.
Hij ging zijn weg, regelmatig als een automaat; hij stond op den bepaalden
tijd op, wandelde naar school, kwam thuis, at zijn broodje, ging viermaal
in de week, weer terug naar school, maakte een wandeling langs de singels,
at thuis, dronk zijn thee, las zijn courant, corrigeerde de schriften
van de jongens en ging klokslag tien uur slapen.
Het ideaal, dat zijn moeder zich eens van haar zoon, den geleerde, had
gevormd, vervulde Bernard nu juist niet. Hij had niet de minste eerzucht,
hij was geheel een slaaf van zijn gewoonten geworden; hij schreef geen
boeken, hij woonde geen vergaderingen of congressen bij, zijn naam werd
nooit in de couranten ge
[11:]
noemd, hij sprak
weinig en leed zelfs aan hypochondrie.
Maar toch was mevrouw Charière tevreden, meer verlangde zij niet
van hem, nadat hij haar eens zulke groote redenen tot bezorgdheid had
gegeven, en, nu haar dochters haar verlaten hadden, was het een vergoeding
ten minste nog één kind bij zich te houden, en dan wel
het gemakkelijkste en volgzaamste van allen!
Eenmaal had zij bijna een beetje moeite met hem gehad; hij had willen
trouwen met een arm meisje, nog vóórdat hij klaar was
met zijn examens; een hulponderwijzeresje nog wel. Dat haar dochters
voor hun brood gingen werken, vond mevrouw verschrikkelijk, maar dit
bracht haar ten minste geldelijke verlichting aan, en zij had zóóveel
ten koste gelegd aan haar opvoeding. Had Jacques nu zulk een keuze gedaan,
zij zou er zich in geschikt hebben, maar haar Bernard, haar trots, haar
glorie! Zij verzette er zich tegen met een kracht, die haar overwinnares
deed zijn, maar haar zoon geestelijk brak. Bernard had een zachte, volgzame
natuur; den bitteren tegenstand, dien hij bij zijn moeder ontmoette,
bezorgde hem een schrik, dien hij nooit geheel te boven kwam en waaronder
hij nu nog leed. Hij zag af van zijn plan; het meisje, dat dagelijks
zijn aanzoek verwachtte, bleef wachten en trouwde later met een ander.
Zij woonde in hun nabijheid, hield zelfs met de Charières omgang,
en zij glimlachte nu over den man, die haar eens zoo veel verdriet had
aangedaan en dien zij nu zoo hopeloos verstrikt zag in de boezelaarsbanden
van zijn moeder.
Jaar in, jaar uit ging het leven regelmatig zoo voort; in de vacantie
kwamen de dochters zich even vertoonen, maar zeer kort. De atmosfeer,
rondom
[12:]
moeder, was zoo
kil en scherp, dat zij er zichzelf en haar kinderen niet langer aan
wilden blootstellen dan noodig was.
De komst van kleine Hortense met haar baboe bracht eerst groote verandering,
maar de baboe werd na een hartverscheurend afscheid weer naar, Batavia
teruggezonden en kleine Hortense op een kostschool besteed. Het kind
maakte het daar goed; zij leerde flink en, zonderling zij werd er de
algemeene lieveling, al bezorgde haar aanstekelijke wildheid den meesteressen
dikwijls lastige oogenblikken.
Hier in huis sloeg Bernard de kleine meid met verbazing gade; zij was
de eenige, die grootmoeder durfde staan, niet door brutaliteit, maar
eenvoudig door zekeren passieven, half spottenden weerstand, waardoor
de oude tyran, voor wie alles zich steeds gebogen had, soms uit vertwijfeling
gedreven werd. Hortense liet grootmoeder knorren, zij maakte haar niet
opzettelijk boos, maar zij deed wat zij wilde; kwam dit niet met Oma's
bedoelingen overeen, jammer! maar dat was haar zorg niet. Grootmoeder
was, de aansporing van Jacques getrouw, met krasse maatregelen begonnen;
zelfs de roê had zij niet gespaard, toen zij eens Horlense betrapt
had, zittende in den kerseboom met een vonkelnieuw kleedje aan.
Het kind had zich laten slaan zonder een kik te geven, maar den volgenden
dag zat zij, ditmaal in haar onderrokje, weer boven in de takken. Grootmoeder
sloot haar eens dagen lang op den zolder, gaf haar niets dan water en
brood om haar tot bekentenis te brengen van iets, dat de oude vrouw
beweerde door haar weggesnoept te zijn; zij ontkende, liet zich opsluiten,
acht dagen lang. maar zeide niets en grootmoeder was wel gedwongen haar
los te laten.
[13:]
"Hoe zij 't
op school met haar aanleggen, begrijp ik niet," verklaarde grootmoeder.
Bernard begreep het wel. Hortense vond daar liefde en verstand; hier
ontbraken beide, en het kind was niet van de stof, waarvan hij gemaakt
was. Gemakzucht en angst hadden hem ten onder gebracht, zooals zij ook
zijn vader hadden gekromd. Hortense echter was niet gemakzuchtig en
niet angstig. Daarom bleef zij grootmoeder de baas, maar grootmoeder
vergold haar dezen zwijgenden tegenstand door bitteren haat.
Zij bleef voortrekenen en vroeg oom nu en dan om inlichtingen; hij streelde
met de hand zachtjes haar hoofd.
Toevallig zag grootmoeder het, en, als door een electrieken schok gedreven,
trok hij onwillekeurig de hand weg; Hortense lachte stilletjes onder
het rekenen door.
"Je moet dat kind niet zoo vriendelijk behandelen, Bernard,"
snauwde zijn moeder; "ergert het je nu niet, als je ziet, hoe zij
haar grootmoeder brutaliseert en ongehoorzaam is? Ik heb haar gestraft
met geen thee te geven en nu laat je haar uit je eigen kopje drinken."
"Oom heeft niets gelaten," sprak het kind, "ik heb uit
mijn eigen gedronken."
"Zullen wij maar boven gaan rekenen, Stans?" vroeg Bernard.
Die woorden kostten hem veel. Het was een half uur, vóórdat
hij anders gewoonlijk naar zijn kamer ging, en elke inbreuk op zijn
dagelijksche gewoonten deed hem zeer.
"Wat moet dat beteekenen?" en met een kibbelachtige beweging
leunde mevrouw Charière met het bovenlijf over de tafel. "Ben
ik jelui tot last? Is het zoo ver gekomen, dat ik hier te veel ben?
Daar boven
[14:]
kan je dat ellendige
kind nog beter vertroetelen, daar neem je ze zeker op den schoot en
stopt ze vol met lekkertjes. Geen wonder dat zij tegen mij opstaat;
zij is een nagel aan mijn doodkist, en..."
Hortense telde op haar vingers na, hoe die doodkist reeds vol groote
nagels moest zitten; zij stond kalm op, veegde haar lei met het sponsje
af, gaf oom een handje en zeide kalm:
"Nacht Oma!"
Zij ging de kamer uit. De oude vrouw riep haar na: "Blijf hier!
't Is nog veel te vroeg om naar bed te gaan. Je hebt geen sommen genoeg
gemaakt."
Zij luisterde naar niets en ging de trap op naar boven.
"'t Is een canaille," siste de oude vrouw tusschen haar lippen.
"Wat voor moeder die gehad kan hebben!"
Bernard las de courant weer door, en Hortense, op haar kamertje gekomen,
telde de aangeteekende blaadjes van een scheurkalender.
"Nog tien, neen nog negen dagen! 't Is nog wel uit te houden hier,
als ik haar maar laat brommen."