V.
[44:] De getuigen
van Caroline Nieuwenhoven waren voldoende. "Buiten eerlijk en zindelijk
wil de juffrouw niets zeggen!" zei de majoor, maar dat is toch
minder. Je hebt nu toch je dagmeisje, Emilie."
"Mijn dagmeisje, het jóuwe." Diep gekrenkt voelde zich
Emilie, omdat ze letterlijk buiten álles was gehouden.
"Moest ik haar dan boven bij je aan bed sturen?"
De majoor kreeg lust aan, Emilie's adellijke ooren te trekken.
Mevrouw sprak dien dag tot haar zoon over "het dagmeisje van je
papa! "
"Mama, als ik nu nóg lánger hoor van dagmeisjes,
kom ik in geen drie weken thuis eten!" dreigde de gestrenge, lang-geplaagde
jongenheer.
Toen ging mevrouw naar de keuken en sprak tot de meid over "het
dagmeisje van den majoor."
Toen de majoor,
den volgenden ochtend,om twintig minuten over achten, naar beneden kwam,
zag hij in de gang staan: den luitenant, die in een statig, ernstig
maar zacht-gevoerd discours was gewikkeld, met het dagmeisje, dat beschroomd
naar een knoop van zijn uniform keek. Hooger dorst ze niet kijken. De
luitenant had het over de belangen van zijn hond.
Om zóó laat moest hij hondenbrood hebben. .. het lag daar
en daar... Het meisje knikte. De luitenant sprak altijd zacht tegen
ondergeschikten, dat schreeuwen vond hij vulgair.
[45:]
Terugkomende van
zijn morgenwandeling en wel vroeger dan anders om een wakend oog te
houden op het dagmeisje, zag de majoor, Max den hond, zich te goed doen
aan fijn Casino-brood, waar zijn vrouw sandwiches van zou maken voor
de, dien avond verwachte, visite.
"Wel vertroost me!" nijdig trok hij het bord, onder den snoet
van den brommend en hond, weg. Hij riep het dagmeisje, dat het kraantje
van het gangfonteintje stond te schuren. Met heilige verontwaardiging
wees hij het verschrikte kind op het bord: "Heb j ij hem dat gegeven?"
"Ja meneer, de andere meneer hep gezeid, dat ie brood moes hebben!"
zij ze, met haar fijn nasaal stemmetje.
"Dat hij dát moest hebben!" bulderde de majoor.
Het kind bracht haar schort aan de oogen. Hij wist al hoe laat het was.
Mevrouw kwam aanschieten; achter haar Gerritje.
"Dat kind kunnen we niet houden Gijs, ze is stókdoof! Ik
zei: hang je schort op, en toen riep ze "nee mevrouw, Gerritje
is boven."
"En ik zei "breng me een emmer water" en toen is ze kolen
gaan scheppen!" schreeuwde Gerritje zegevierend.
"Toen i k haar huurde was ze ni e t doof!" betuigde de majoor,
met vuur. "Ze verstond a l les, alles!"'
"Dat wil ik warachies wel gelooven!" zei Gerritje, "meneer
hier en meneer van Vlonderen van de Malakkastraat hebben zulke zware,
harde stemmen, maar
[46:]
als een gewoon
mensch wat zeit, verstaat ze niks."
De majoor vernam voor het eerst in zijn leven, dat hij geen gewoon mensch
was.
"Ze zal hier niet blijven!" verklaarde mevrouw snibbig. "Dat
komt er van, als je mij niet in zulke dingen wilt kennen. I k zal wel
een andere huren."
"Heerlijk! dus weer van voren af aan!"
De majoor h o l d e weg, vast besloten den geheelen dag niet thuis te
komen. Bij Jan zou hij wel déjeuneeren. Bij de deur had hij nog
de voldoening Gerritje te hooren zeggen:"Nou da's me ook wat, dat
dagmeisje-van den majoor!"
En het arme dagmeisje ging snikkend heen.